Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op „Rustheuvel" was een buitenpartij; en Julie Rendell, in een wit zomerjaponnetje, heel eenvoudig, want hare moeder hield niet van duren opschik, maar heel smaakvol gekleed, stond op de veranda, en trok met een vroolijk gezichtje hare peau de-suède handschoenen aan.

— „Toe George," zei zij, met haar aardig, vleiend stemmetje, waarvoor haar pleegbroer heel toegankelijk was. „Wees jij nu eens lief, en breng mij even met den dogcar weg."

Hij zat in de serre in een boek te lezen dat hem interesseerde; moe van de fabriek thuisgekomen was hij eigenlijk niets tot op nieuw uitgaan gestemd; maar toch sloot hij zijn roman met de gewilligheid waarop Julie altijd bij hem kon rekenen, en zei vriendelijk als gewoonlijk: ,,Moet ik nu juist den dogcar mennen? Waarom ga je niet met Peter?"

Maar zij schudde het hoofd. En, lachend, de handen op zijn schouder leggend. „Net of ik Peter op één lijn stel met jou! Dat weet je ook wel anders. Komaan, wees nu niet lui! je moest eigenlijk heel vereerd zijn, dat je mij rijden moogt," En George gaf toe. „Je bent toch een kleine dwingeland," zei hij goedig, opstaand om zijn orders voor het inspannen van het rijtuig te

Sluiten