Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

allerlei opruiende praatjes verkondigde, en zijn uiterste best deed de arbeiders tot vijandschap tegen hun patroon op te wekken.

— Toen zij een tijd lang zwijgend naast elkander geloopen hadden, — altijd met dat vreemde gevoel van elkander niets te zeggen te hebben, dat hun verhinderde een gesprek voort te zetten zoodra er geen bepaalde aanleiding toe was, — zeide George op eens, heel snel en zacht:

,,Geef mij even je arm Hélène; Stevens is onder de drie mannen die daar aankomen. Ik herken hem."

Inderdaad zag zij nu ook drie langs den weg slingerende gestalten. — Zij liepen echter aan den overkant, en schenen niet op hen te letten. Maar op het laatste oogenblik werd Stevens hen gewaar, en kwam met waggelenden tred op hen af.

„Meneer Ruysdael," zei hij.

„Als je mij spreken moet, dan kan je morgen op de fabriek komen; het is hier de plaats niet, antwoordde George, en wilde doorgaan.

Maar de man, brutaal, versperde hem den weg. „Je hebt mijn brief ontvangen, hé!" zei hij. „Ik waarschuw je, als je niet toegeeft, dan doe ik het; je weet wel, wat."

Sluiten