Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oogen strak op die twee ramen, — waarachter hij wist dat mijnheer Ruysdael zat te schrijven, — gevestigd. Daar binnen was het warm en mooi; en die man vóór zijn schrijftafel had geld, kon alles doen wat hij maar wilde. Hij, Stevens had niets; armoedige kleeren, slecht eten; hij rilde van kou hier buiten. En, in zijn vijandschap en verbitterdheid, wilde hij niet inzien hoe alles zijn eigen schuld was in dit geval, hoe zijn luiheid en dronkenschap hem tot een bedelaar hadden gemaakt; terwijl George steeds zijn best had gedaan hem telkens weer te helpen en de gelegenheid te geven zich te beteren. Hij dacht er alleen maar aan dat het niet gelijk verdeeld was in de wereld, dat de armen even veel geld behoorden te hebben als de rijken; en hij nam zich voor te blijven wachten op George om hem te zeggen dat hij geld hebben moest van hem, — goedschiks of kwaadschiks.

George stak het terrein van de fabriek over, nam zijn sleutel om het hek, — dat al gesloten was, — te openen en wilde het weer achter zich toetrekken, toen iemand hem half in de opening terugduwde en met een schorre stem zei:

„Je komt er niet uit vóórdat je mij geld gegeven hebt."

Sluiten