Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te doen, hem die gedeelten uit Julie's brieven aan haar of mevrouw Rendell voorlas, waarin het jonge meisje haren grooten angst over zijn toestand lucht had gegeven.

„Die goede, lieve Julie," zei hij glimlachend. — „Wat zal het vroolijk worden als wij haar maar eerst weer terug hebben!" —

— En Hélène vermocht dan zich zoo zeer goed te houden, dat zij onbevangen kon antwoorden :

, Ja zeker heel vroolijk! — Ik verlang er zoo naar dat zij terugkomt!

— Maar het was reeds lang voorjaar eer de epidemie, ook in het dorp, als geheel geweken kon worden beschouwd, en de dokter zijn toestemming durfde geven tot den blijden intocht der drie afwezigen: Julie, Henri, en Frits.

De beide jongens kwamen het eerst, — van Zaterdag tot Maandagmorgen, — op de vroegere wijze. Zij waren in zoolang niet thuis geweest, dat hun stormachtige vreugde haast te veel was voor mevrouw Rendell, — zelve heel zenuwachtig en aangedaan nu zij hare kinderen weer terug had na al dien angst der laatste weken, die thans zulk een gelukkig einde had genomen. Maar toen zij George zagen, — zoo vermagerd en bleek, — zoo heel anders dan zij hem

Sluiten