Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesproten, hebben zich met goed en bloed aan Nederland gegeven: Prins Willem, de graven Jan, Lodewijk, Adolf en Hendrik.

Zou het van ondankbaarheid getuigen, wanneer wij de moeder dezer zonen niet gedachten, nog meer verdient zij onze dankbare herinnering door alles wat zij voor Nederland is geweest, met hare gebeden tot den almachtigen God, en haren invloed op hare zonen, gelijk duidelijk uit hare brieven blijkt.

Had het licht der Hervorming reeds haar jeugdig hart bestraald, de liefde tot Gods Woord nam tijdens haar eerste huwelijk toe en bevestigde zich vooral in haar tweede huwelijk. Gedurende haren tweeden weduwenstaat werd zij, mede voorgelicht door haren zoon graaf Jan, meer en meer overtuigd van het goed recht der gereformeerde belijdenis. Dit heeft zij met beslistheid getoond, door predikanten met vriendelijkheid te ontvangen, die om hunne gereformeerde belijdenis in naburige landen werden vervolgd. Een hunner, met name Pezelius, was haar meest geliefde predikant, die haar dikwijls kwam bezoeken.

Het tijdperk toen de gravin als weduwe leefde op het slot Dillenburg is voor de geschiedenis van ons vaderland van liet allergrootste gewicht. Wij hebben maar te denken aan de jaren 1566—1568, de jaren 1573, 1574! — wat jaren van geweldigen nood! Het onweder pakte zich al zwaarder en zwaarder samen; de ondergang was vast besloten — wie zou bestaan tegen het machtige Spanje, den onverzettelijken Filips II! Neen, geen mensch maar — in het jaar 1574 is de geuzenduit geslagen met het omschrift: „onze hulp is in den Naam des Heeren". De zwakke, weerlooze maagd, heenwijzend naar boven, is het beeld van de vrouw op het slot Dillenburg. Op den Heere heeft zij gewezen en is zij blijven wijzen, ook toen zij drie van hare zonen had verloren om Neerlands heil en al haar goed daarvoor had gegeven.

Sluiten