Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moge daartoe genade verleenen". Voor den vriend en broeder vraagt zij : de Almachtige God moge hem bewaren voor alle kwaad en hem geven wat goed is voor ziel en lichaam — bijna altijd is de ziel het eerst genoemd.

Twee jaren na den dood van haren Gemaal Graaf Willem, werd haar eerstgeboren zoon luit het eerste huwelijk) graaf Filips van Hanau, in den bloei zijner jaren weggenomen. Aan Prins Willem schrijft zij daarover o. a.: „God had Zijn godde1 ijken wil aan hem volvoerd en hem uit het'jammerdal van deze vergankelijke wereld tot Zich genomen in de eeuwige blijdschap. Hoewel — zoo gaat zij voort — dit sterven ons alhier een groote droefheid is, zoo zijn we toch getroost en kunnen God niet genoeg danken, dat mijn zoon zulk een Christelijk uiteinde heeft gehad, en met goede kennis van Gods Woord en vast geloof in God is heengegaan."

Hieruit kunnen wij zien wat bij haar leefde. Uit hare brieven blijkt dat het eeuwige altijd staat boven het aardsche geluk en hare grootste bezorgdheid is, dat om het tijdelijke het eeuwige zou worden achtergesteld.

Na haar heengaan getuigde Maria, de dochter van Prins Willem, van hare grootmoeder: „zij was voorwaar eene vrome, godvruchtige vrouw, de lieve God geve ons allen dat wij haar mogen navolgen." Terecht is zij genoemd „de vrome gravin".

Was het niet door den invloed van deze moeder op haar zoon, die in al de belangrijkste vragen, zijn hart kwam uitstorten aan het hart zijner moeder, dat de Prins den gedenkwaardigen brief schreef van 9 Augustus 1573?

1 oen namelijk op 14 Juli 1573 de stad Haarlem was overgegaan en de Spanjaarden 1735 personen hadden gevangen, onthoofd en verdronken, werd door zijne Commissarissen in Noord-Holland aan Prins Willem geschreven dat weerstand volstrekt nutteloos was, ten ware er eenig Verbond tusschen hem en een machtig Vorst bestond. Wat antwoordde de Prins?

. ..Zoo het God Almachtig beliefd heeft van den stede van Haarlem naar Zijn goddelijken wil te disponeeren,

Sluiten