Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat de gravin van den Almachtige alle heil verwachtte, zien wij ook uit dit schrijven. Op onvoorwaardelijke onderwerping aan Gods Woord blijft zij als de eenige, door haar zelf gevolgde gedragslijn den Prins wijzen. Zij waarschuwt voor eenen vrede, waarop na den dood van Requesens door wonderbare wending der zaken, uitzicht was, welke niet tot bevordering van Gods Woord en iemand tot schade aan zijne ziel mocht strekken. In den brief van 22 Oct. 1576 uit zij den wensch dat „God in die moeilijke zaak, Haars Zoons Opperste Raadgever mocht zijn, opdat hij in niets bewilligde wat tegen Gods Woord en zijne zaligheid kon zijn en dat het eeuwige hem steeds meer gelden mocht dan het tijdelijke."

Welke gevaren Juliana vreesde van de vredes-onderhandelingen met Don jan van Oostenrijk, die door minzaamheid de Nederlanders trachtte te winnen en bereid was wel veel toe te geven, maar de handhaving van den Roomschen godsdienst zich voorbehield, zien wij uit haren brief van

4 April 1577.

. . . Van harte verlang ik zekere tijding te hooren, hoe het mijnen Heer in de gewichtige zaken gaat, want naar het algemeen zeggen te oordeelen, komt het mij voor, dat de thans voorgenomen vrede, bezwaar bevat voor ziel en geweten; dat de Satan zich kleedt in schaapskleederen en weldra een verscheurende wolf zal zijn, waardoor vele vrome Christenen in groote droefenis zullen komen. Maar onze Heere Jezus Christus, Wien van Zijnen hemelschen Vader, alle macht in den hemel en op de aarde is gegeven, kan al degenen die Hem aanroepen en van harte vertrouwen, uit alle gevaar verlossen. Hem bid ik dat Hij met Zijne goddelijke genade en Zijnen Heiligen Geest bij mijnen Heer zij, opdat Hij zich in niets begeve, noch in iets toegeve, dat tegen God en tegen mijns Heeren ziele-zaligheid zou kunnen zijn. Het is beter het tijdelijke dan het eeuwige te verliezen. Ik bid mijnen Heer, om zijne zaken goed waar te nemen zich door fraaie woorden niet spoedig te laten

Sluiten