Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geven in gezang, gefluit, gejudel en getap van vieze moppen; hij houdt ze bézig, z'n medegestraften, onvermoeid laat i de eene bak volgen op de andere, z'n voorraad liederlijke moppen schijnt onuitputtelijk; en hij bezit ook slag van vertellen, kalm als-i zelf altijd blijft, terwijl de anderen gierend lollen van de pret. De laatste bak heeft-i zooeven uitverteld, het wachten is al weer op 'n nieuwe.

— Ken je die van die boer, die dacht, dat-i eieren kakte?

— Ja, die kenne we al, dat 's 'n ouwe mop.

— Hoe is-i dan? ik ken 'm niet, vertel op!" zegt er een.

Nee, ik verdom 't, ik schei 'r uit, 't is nou mooi, nou jij's!"

antwoordt Grader, die er ineens genoeg van krijgt.

— Ik weet 'r geen, maar waarom schei je nou al uit ? de nacht duurt nog lang genog.

— Wacht maar, 'k heb nog wel wat anders, iets extra fijns man, 'k heb '11 roman meegenomen, maar 'k heb geen kaars bij me; de sergeant van de week kwam nèt op de compie, toen 'k 'r een uit m'n kist wou nemen. Hei jij geen kaars?

— Nee, ik niet, maar Willemse geloof 'k wèl.

Nou, dan is de zaak gepiept.... waar ligt-i ergens? hé, Willemse! Willemse! hei je 'n kaars bij je? verrek, de vent maft.... waar ligt-i, naast jou ?

Nee, naast mij niet, naast mij ligt Dompseler, dat kan 'k voelen aan z'n dikke kont, 'k geloof, dat-i numero drie van de muur ligt.

— Ja, daar ligt-i," beaamt een stem.

— Dan zulle we elïe op patrouille gaan," herneemt Grader, opstaande. Maar liij heeft nauwelijks 'n stap gedaan, of hij valt duizelig, struikelend over '11 paar schoenen, bovenop een ander, die 'ni woedend-vloekend 'n schop geeft.

— Nou, kan ik godverdomme zien, dat jij met je turftrappers in de weg ligt? Willemse!

Een slaperig-dofïe stem antwoordt: Wat mot je?

— Zeg hei jij '11 kaars bij je?

— En dan?

— Ik heb 'n fijne roman, dan gaan we nog wat lezen, toe geef op, gauw dan!

— Hoe laat is 't? zijn de stroozakken al gebracht?

— Ben je belazerd, 't is nèt taptoe geblazen. Waar lig je?

— Hier.

Sluiten