Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— D'r is geen plaats meer op de brits, sergeant.

—- Dan ga je 'r maar naast liggen, 't is geen hotel hier!

— Toe, dondersteen dan op! je zit me bijna in m'nkont," vloekt de tamboer, die als recidivist aanspraak op 'n behoorlijke plaats meent te mogen maken, „ga dan wat links aan!"

—■ Dat kan 'k niet, ga jij dan wat meer naar reks.

Een korporaal van de week brengt een nieuwen arrestant.

— Is 'r nog plaats, sergeant?

— Nee, 't stinkt 'r nou al.

— Hij moet 'r toch in.

Hé, Gilisse, jij ook hier? kom je ook in de salon de varietee? wat hei je noü weer uitgehaald?" vraagt de tamboer, overeind zittend op z'n stroozak.

- 't Paard van de overste met jong gestoke," antwoordt Gilisse.

Tamboer Grader, alla, pak je zooitje maar op, jij slaapt vannacht in de korporaalsprovoost," gelast de wachtcommandant.

— Ik, sergeant? en ....

—- Ja lui nou maar niet, d'r is geen plaats meer, vooruit, marcheer op!

De tamboer pruttelt nog éven, doch is terstond daarop met de overplaatsing verzoend, stil zich vleiende met Laura-succes bij de korporaals. Inmiddels zijn ook de ontbrekende stroozakken gebracht en uitgereikt, de rust in de politiekamer is hersteld; een enkele, die zich, heelemaal gekleed, letterlijk inde wollen dekens heeft ingerold, slaapt zelfs al. De commandant van de wacht draait de deur weer in 't slot, grendelt ze met de zwaarijzeren dwarshout. En in het walglijke, stikdonkere, van pisstank bezwangerde hok liggen de twaalf menschen als vee dicht tegen elkaar, op en naast de brits.

—- Kom jongens," zegt Gilisse, die nog geen trek in maffen heeft, „wie weet 'r nou 'n goeie bak?"

Sluiten