Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOCE. Een hemel vol van diamanten licht. . . Een wondervreemde veelheid van getwinkel! 't Is als beloftevan een naadring, dicht, van heel een openbaring . . . Hoor 't getinkel! De verre harp geeft lokking van geluid ... Wij wachten hier, die jong, nog mooglijk achten, dat zich een wonder onzen blik ontsluit...

Wij wachten, wachten ...

EERSTE en TWEEDE KNAAP, samen: Wij wachten. TWEEDE MAAGD. Wij blijven, Voce! bij U ~

DERDE MAAGD. Ja, wij blijven.

EERSTE MAAGD. Hoe zal het Mediothea gaan? Wij willen 't weten!

DE PHILOSOOF. Dit is een vreemde belangstelling. Alles doet in de waarheid mee; zelfs de verdwazing. Ik wil dit blijven aanzien; al wensch ik niet deel uit te maken van deze ontroering. DE GELEERDE. Hm. Dan zal ik ook maar hier blijven, en wat er gebeurt, aanteekenen. Men kan nooit weten, waar het goed voor is.

VOCE. Vlijt u neer, en wacht — Door den vreemden drang naar 't Wondere Woud gedreven, wachten wij. Achter ons ligt de vale vlakte. Ziet, er komen vóór den rossigen schijn der vensters ouders die naar ons uitzien, als bevreemde vogels, die niet weten wat hun kleinen vinden voor lokking, zoo ver ... Wat wondere nacht is dit... Hoe klaar ... t Is volle maan — En Luna is in harmonie met Venus ... Juppiter en Saturnus in conjunctie in 't beeld der Visschen ... Eén en twintig Maart... Hoor de harp . .. Laat ons rusten, en gereed zijn als de tijd der op-wake komt... Hoor de harp ... Zij zingt zuchten ... Hoor de harp ... Gedurende zijn woorden hebben zich allen gevlijd. Alleen de philosoof zit overeind op een afstand, de hand onder 't hoofd. Even schuin-achter hem, recht op, de houten, dwaze gestalte van den geleerde met de rol.

G o r d ij n

Sluiten