Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MEDIOTHEA. Zij breidt de armen uiten ziet omhoog naar de bronplek op de rots. Dan zinken haar armen neer, en langzaam schudt zij het hoofd. Dan vat Speranzo haar bij den arm.

SPERANZO. Kom mijn Lief! Kom! Daarboven zullen wij samen den Naam vinden!

MEDIOTHEA, in vreemde teruggehoudenheid: Neen. Nog niet. Nog niet... Leg mij eerst op ons leger, Speranzo — En laat mij alleen. Ga gij dwalen door het Woud, en ten boschrand, en zie de zoete herleving, die ge mij meedeelen zult ... Ik zal dan kracht vinden tot den tocht.

SPERANZO. Ik doe uw wensch. Ginds hoor ik stemmen, en hoewel ik mijn volk liefheb, dezen dag wil ik alleen zijn met mijn Liefde. Eenvoudig: Rust Mediothea. Aanstonds kom ik weer.

MEDIOTHEA. Tot spoedig, Speranzo.

SPERANZO. Gij zult dan de kracht hebben tot den tocht.

MEDIOTHEA. Ik zal dan de kracht hebben tot den tocht... Speranzo af... misschien ... Mediothea in de kapel.

DERDE TOONEEL Voce, Knapen, Maagden, daarna Survivio.

Allen dragen witte bloemen, en zijn in het wit gekleed.

EEN MAAGD. Waar is Mediothea?

EEN KNAAP. Wellicht dwaalt zij zalig met Speranzo door het Woud ...

TWEEDE MAAGD. Wij kunnen haar hier wachten.

DERDE MAAGD. Laten wij de bloemen hier leggen, waar zij bij weerkomst ze vinden zal.

SURVIVIO, te voorschijn komend: Mediothea rust — Speranzo gaat in blijde mijmering door dit Woud.

EERSTE MAAGD. O, waarom bleven zij niet saam na zoo lange scheiding!

TWEEDE MAAGD. En na zoo wonder weerzien!

De Knapen staan, met den rechterarm bevallig elk één der Maagden omslingerd houdende.

VOCE. Dit is vreemd — Toen in dezen nacht de bloem van

Sluiten