Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1° De woorden ijselijk, schromelijk, bermhertig, wreed, bitier, enz.. Wreed schoon, bermherlig slecht, bitter klein.

2° Omdanig, omduvels, om den duvel. Ilij is omdanig, omduvels, om den duvel rap.

3° Menig tegenwoordig deelwoord op end(e) of ens, als bijwoord gebezigd. Proppend(e) en proppens vol.

4° Eene vergelijking. Zoo droog als poer.

5° Een samengesteld hoedanigheidswoord dat eene vergelijking bevat. Poerdroog, hondemager.

6° Tusschen het herhaalde hoedanigheidswoord, de woorden bij, boven, meer als zetten. Rijk bij rijk, rijk boven rijk, rijk meer als rijk.

7" Als zetten tusschen den vergelijkenden en den stelligen trap van liet woord. Rijker als rijk.

8° Eene vergelijking waarvan de tweede term groot of iet(s) is. Hij is zoo dom als hij groot is, zoo dom als iet(s).

9° Een omstandigheidszin van wijze. Er was zooveel volk dat ge op de koppen kost dansen.

8. — Men zegt zevenste, negenste, tienste, elfste, Iwaalfste, dertienste, veertienste, vijftienste, zestiensle, zeventienste, achttienste, negentienste.

9. — De bezittelijke bijv. naamw. zijn mijn, ons, ouw fdijnj, huider (uw), zijn, heur, huider fliunj.

Ou(w) wordt gebruikt voor een enkelvoudigen, en ulder voor een meerA'oudigen bezitter van den 2l,en persoon; heur koml altijd in de plaats van haar, en hulder duidt den meervoudigen bezitter van den 3den persoon aan, van welk geslacht hij ook zij.

10. — De aanwijzende zijn deze, met het onz. tees (Idees); die, met het onz. dat, da; gin(tl)sch gin(d)st voor gene, dat nooit gebezigd wordt, zakken, zuken, zooken, (zulk een), en dezelve, dezelfste, nevens het weinig te hooren dezelfde.

Zoodanig is enkel bijwoord , en zulk alleen komt niet voor.

Om van twee te spreken, gebruikt men deze en die; voor drij bezigt men deze, die, gin(d)st: tees, dat en gindst huis.

Om iets duidelijk aan te wijzen, zet men die vóór het naamwoord, daar, ginter, (gintsel, ginsel, gintert) er achter. Die vrouw daar, cette femme-la; dat huis ginter, cette maison-la.

Daar komt zoo ook achter de persoonlijke voornaamwoorden van den 2<le" en den 3,le" persoon, bijzonderlijk om met misprijzen te spreken. Gij daar, leelijke jongen !

Die wordt soms uit eerlijke schaamte gebruikt. In dien staat zijn.

11. — De vragende zijn wa (voor en , ne), wakken fwelk een,), hoeken ("hoedanig eenj. Wa voor en vrouw ? wa voor ne man ? wakken buis '! Iloekene man ?...

12. — Het onbepaalde een klinkt ne(n) en e(n). Nen hond, ne man, en vrouw, en hert, e kind.

13. — De persoonlijke voornaamwoorden zijn 'k, ek (toonloosj, ik, ikke, ekik, ekikke, voor den l8"" persoon enkelv.; (me, men), wij, mewij, wijlder, wulder, mewulder, voor den isle" meerv.; ge, gij, de, degij voor den 2lien enkelv.; ge, gijlder, gulder, de, degijlder, voor den 2llen meerv.; i, hij, en, ze, zij, zezij, t, et (ent), het, voor den 3llen enkelv.; ze, zij, zijlder, zukler, zezijlder, voor den 3'len meerv.

Deze vormen worden alleen of samen met andere gebezigd, volgens dat men min of meer het voornaamw. wil doen uitkomen ; eenige verschijnen enkel vóór, andere enkel achter, en eenige vóór en achter het werkwoord. De volgende uitdrukkingen zullen dit klaar maken : 'k zal, ek zal, ik zal, 'k zal ek, ek zal ek, ikke zal, ik zal ek, ('k)zal ekik, ('k)zal ekikke, we (me) zullen, wij zullen, ive zuUe(n) me, we zulle(n) wij, we zullen mewij, wijlder zullen ', we zullen wijlder, we zullen mewijlder, ge zult, gij zult, ge zult gij, zulde (zulle), zuidegij (zuilegij), gijlder zult, ge zult gijlder, zuldegijlder, (züllegijlder), i zal, zali, izali, hij zal, hij zal hij, zalen, ze zal, ze za(l) zij, za(l)zezij, tzal, het zal, zalt, zalle(n)t, ze zullen, ze zullen zij, zijlder zullen, ze zullen zijlder, zullen zezijlder.

Sluiten