Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij enkelen komt de uitgang degen, tegen in alle personen voor. Ik wildegen, zij danstegen.

33. — 2U In de ongelijkvloeiende werkwoorden. Alles in de uitgangen is hier gelijk aan de geschreven taal, behalve a) dat de lste persoon enkelvoud, wanneer hij op eenen klinker eindigt, bij sommigen n bijneemt om eene gaping te vermijden : deen ik = dee ik ; b) dat de 3''° enkelv. eene t bijkrijgt, als hij op eenen klinker eindigt en gevolgd is van hij, i, en, ja, te Lokeren, als het volgende woord met eenen klinker begint; aat hij = a hij; hij vloogt aan zijnen hals.

Wat wij zeiden, in den tegenwoordigen tijd, over k, me(n) en t, geldt evenveel voor den onvolmaakt verleden tijd. Deek = deeik; zoume(n) = zouden we; gij zaget = gij zaagt het.

34. — Straks geven wij de lijst van de hoofdvormen der ongelijkvloeiende en onregelmatige werkwoorden.

35. — In den volmaakt en meer dan volmaakt verleden tijd der aantoonende en der bijvoegende wijze, in den betrekkelijk toekomenden der aantoonende, en in den verleden der voorwaardelijke wijze, wordt door velen gehad overbodig bij het hulpwerkwoord hebben gebezigd. Jk heb en had daar geweest (gehad) ; ik zal en zou daar geweest (gehad) hebben.

36. — De personen der gebiedende wijze worden gemaakt juist gelijk dezelfde personen van den tegenwoordigen tijd der aantoonende wijze. Men maakt geen verschil tusschen hel enkel- en het meervoud van den 2don persoon.

Nochtans, de eind-t, buiten de hoogergegeven gevallen, blijft nog weg, lü wanneer het werkwoord samengesteld is met een voorzetsel dat den klemtoon heeft: keer om, kom aan ; 2° in kom en ga, verbonden met eene andere gebiedende wijze, waar de geschreven taal de onbepaalde wijze bezigen zou : kom en zoekt = komt zoeken; ga en zingt = gaat zingen.

37. — De vormen der bijvoegende wijze zijn gelijk aan die der aantoonende. Het gebruik dier wijze komt enkel duidelijk voor in het werkwoord zijn.

Men bezigt ze 1° in gewone wenschen, waar de hoofdzin meest altijd verzwegen is. God zij gedankt , God zij geloofd.

2° In voorwerpszinnen die van wenschen en willen afhangen. Ik wou, ik wenschte dat hij gekozen waar.

3° In de voorwaardelijke zinnen zonder voegwoord. Ware ik in uwe plaats, ik zou zwijgen.

4° Met de voorwaardelijke voegwoorden dat, al, en met alsof (gelijkof). Da'k in uw plaats waar, ik zou zwijgen; ik zal 't hem zeggen, al ware hij nog zoo kwaad; hij leeft alsof (gelijkof) hij 'nen baron waar.

5° Om de voorwaardelijke wijze te vervangen. Ilad ik meugen vertrekken, ik waar al lang weg; had het geen maneschijn geweest, hij waar zeker in 't water gevallen.

38. — In aanhalende voorwerpszinnen wordt de verleden voor den tegenwoordigen tijd der voorwaardelijke wijze gebezigd. Ik meende gisteren dat het dezen morgen zou geregend hebben.

39. — De toekomende tijd van de onbepaalde wijze en van het deelwoord worden nooit gebruikt.

40. — De werkwoorden komen dikwijls voor met den uitgang ens (ns). Deze vormen gelden soms 1° voor bijwoorden. Proppens vol, rechtstaans springen, iets lachens of meenens zeggen.

21' Voor eene onbepaalde wijze die het geheel uitdrukt. Drij uren gaans , veel beziens hebben, te weinig spelens hebben, met iemand geen uitstaans hebben.

Sluiten