Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9. Zacht hout schaaft gemakkelijk. Harde boter breedt moeilijk.

Bedrijvende vorm voor lijdenden. Die wending is algemeen met bijwoorden die de goede of slechte geschiktheid van het onderwerp aanduiden om de daad van het werkwoord te ondergaan, zooals licht, aangenaam, zacht, zoel, goed, schoon, enz....

Voegt hierbij : Die kerk zingt gemakkelijk, die stoel zit hard, enz...

10. Kinderen, werken en niet praten.

Onbepaalde wijze gebezigd voor gebiedende.

11. Vijf kinderen hebben en hun geen kruimelken brood kunnen geven!

De onbepaalde wijze op haar eigen tot uitroep gebruikt.

12. Hoe zijt gij gevallen? — Hij recht op mij afkomen en ik hem niet zien. Hoe is hij veiongelukt ? Op de leer gaan, 'nen sport breken, vallen en niet meer opkunnen.

De onbepaalde wijze verhalend gebezigd.

13. Werken doet hij niet, maar slapen.

Het eigenlijk gezegde vooraan in de onbepaalde wijze en gevolgd van doen, in den gepasten vorm. Die wending wordt gebezigd om op het werkwoord gezegde meer te kunnen steunen. Werken doet hij niet = hij werkt niet.

14. Zingen dat hij doet l Braaf dat hij is! Rap dat hij loopt!

litroepende zin met het eigenaardig dat, gebezigd tot sterke bevestiging. Rap dat hij loopt! hij loopt zeer rap.

15. Of wij koude hebben ! of hel heet is!

I itroepen met of, geldende voor eene sterke bevestiging : wij hebben zeer veel koude, het is zeer heet.

16. Neemt dien zak mede. — Kunnen !

Kunnen voor indien ik kon.

Zoo ook mogen, willen.

17. Ik heb twee kinderen dood en drij getrouwd.

Dood en getrouwd gelden voor eenen hoedanigheidszin: die dood zijn, die getrouwd zijn.

18. Zulle dat doen ? — Ja ik, (jaak). Neen ik (neek).

In 't antwoord wordt het voornaamwoord onderwerp van den onderverstanen zin gegeven.

Zoo ook ja gij (jaag), ja hij (soms jaan), ja zij (jaas), ja het (jaat), ja wij (jaam).

19. Hebben zij dat gezeid, jaas ?

In de vraag wordt, bij sommigen, door ja of neen, het veronderstelde antwoord gegeven.

Sluiten