Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanboegen verliest het schip stillekensaan zijne vlucht.

Bij V. = Varen of zeilen in de richting van iets. Ook (achteruit) aanhouden.

AANBOOMEN. werkw., overg.. = (Wever) Op den weversboom doen Een stuk aanboomen.

AANBREIEN, werkw., overg.. — Eene kous aanbreien, een oud deel der kous door een nieuw vervangen. C.

AANBRINGEN. werkw.,overg.. ^Aanbrengen. C. D.

AANDOEN, werkw., overg.. = Voor 't gerecht Virpncrp.n. C. "Beschadigt £rii noe mimen muur, dan

doe ik u aan.

—= Huren en beginnen zaaien. Eenen akker, land aandoen.

—= Beslag op iemands goed leggen. C. Als hij mij niet betaalt, doe ik hem aan.

— Iemand de dood aandoen, iemand geweldig verschrikken. Iemand den duivel aandoen, plagen, kwellen. C. D_

Enkel in den 3den persoon enkelv., en met eenen

persoonsnaam tot voorwerp. = Treffen, roeren C. Het doet mij aan, als ik dat kindje zie beven van koude.

AANDOMPEN, werkw., onoverg., [zijn). — Bedampen. De glazen in eene warme plaats dompen aan.

AANDOUGEN, werkw., overg.. Aanduwen.

AANDRAAIEN, werkw., overg.. —(Wever) Een stuk aandraaien, de draden van een versch opgeboomd stuk door fribbelen, aan die van den kam hechten.

AANDRAAIER. z. nw., m.. = (Wever) Hij die aandraait.

AANDR AA.IGELD. z. nw., o... = (Wever) Geld dat men betaalt om een stuk te doen aandraaien.

AANDRAGEN, werkw., overg., wederk.. = Bemoeien , aantrekken. K. assumere. Laat mij daarover betijen , gij moet u dat niet aandragen, z. Aendragen, 5) en 6) bij Verdam.

AANDREEGEN, werkw., overg.. = (Kleermaker) Al driegende vasthechten. Een stuk aandreegen. Meer aandriegen.

AANDRIEGEN, werkw., overg.. — z. Aandreegen.

AANDRIJVEN . werkw., overg.. — (Boer) Grond aandrijven, grond van eéne hoogte in eenen put brengen, met het mollebard, de spa of de ploeg, om het land effen te leggen.

Ook grond indrijven.

AANDRIJVER, z. nw., m.. = (Smid) Doorslag, dienende om de klinknagels aan te drijven.

AANEEN, bijw.. = Aan malkander, z. Wdb.

Met aaneen maken wij eene macht samengestelde werkwoorden. Alle zijn scheidbaar. Wij zullen ons vergenoegen met er enkele van op te geven. AANEENBAKKEN, werkw., onoverg., (zijn). — Aan elkander kleven door het bakken. C. D.

AANEENFLIKKEN , AANEENFLIKKEREN, werkw.,overg.. = Spoedig en zonder groote inspanning samenstellen, verveerdigen. C. T. R. Een kleed, eene rede aaneenflikken.

AANEENFOEFELEN, werkw., overg.. = Rap, heimelijk aaneenvoegen. C. D. De goochelaar toonde verscheidene stukken , hij foefelde die aaneen en 't was weer een neusdoek gelijk vroeger.

AANEENFRATSEN. AANEENFROTSEN, werkw., overg.. = Aaneenflansen. Kleermaker, mijn frak is niet genaaid, maar aaneengefratst.

AANEENFRIBBELEN, werkw., overg.. = Al wrijvende aaneendraaien. Draden aaneenfribbelen. C. D. Aaneenwribbelen.

AANEENFRUTSELEN, werkw., overg.. = Met moeite aaneenmaken; C. T. R. De koorde brak, maar hij kost gelukkig nog de twee einden aaneenfrutselen.

AANEENHANGEN, werkw., overg., {hebben). - z. Wdb.

Spreuk.: Aaneenhangen gelijk gekapt stroo, (scherts), van eene rede. C.

AANEENKLOPPEN, werkw., overg.. = (Smid) Doorkloppen vereenigen. Twee stukken ijzer aan eenkloppen.

Ook aaneenslaan.

AANEENKNOOPEN, werkw., overg.. = In verband brengen, figuurlijk. C. Wat gij daar zegt.

kan ik niet aaneenknoopen

AANEENKOEKEN, werkw.. onoverg., {zijn).— Aaneenplakken, in klompen, in brokken, in koeken samenkleven. C. D. Door 't lang liggen, zijn die taartjes aaneengekoekt.

AANEENKRIJGEN, werkw , overg.. -■= Aan elkander gebracht krijgen. C. T. R. Mijn keting is gebroken, ik en kan de stukken niet meer aaneenkrijgen.

AANEENLAPPEN, werkw., overg.. = Aaneenflikken. C. T. R. Op eenige minuten was zijn fraksken aaneengelapt. Hij lapte die redevoering gisteren avond nog aaneen.

AANEENMAKEN, werkw., overg.. = Maken dat de gescheiden deelen een geheel worden. T. R. Geef hier, ik zal ik de stukken van uwe keting wel aaneenmaken.

AANEENPLAASTEREN , werkw., overg.. = Met plaaster aan elkander hechten. C.

AANEENSLAAN. AANEENSLAGEN,werkw., overg.. = Aan malkander slaan, aan malkander nagelen. C. Slaat die twee planken aaneen.

AANEENSPETEN. werkw., overg.. = Met eene speld , eene naald., enz., aan malkander hechten. C. T. R. De twee uiteinden van een lint aaneenspetcn.

AANEENSPINNEN . werkw., overg.. = Uitdenken, verzinnen. C. T. R. Al wat hij daar vertelde, heeft hij al pratende aaneengesponnen.

Sluiten