Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— T'achternoen, dezen namiddag C. D. Ik zal t'achternoen bij u komen koffie drinken.

-— 's (ts) Achternoens en 's (ts) achternoene(n)s, in den namiddag. C. Hij gaat 's achternoens naar huis eten.

Z. Achternoene, bij Verdam.

Kram. acht dit woord verouderd. V. teekent het als Zuidned..

Het Wdb. der Neierl. Taal: « In Vlaamsch-België is het woord nog heden in de spreektaal in in gebruik. »

ACHTEROMIJZER, z. nw., o.. — Z. Achterijzer.

ACHTEROMLOOP , z. nw., m.. = (Voerman) Smalle plank die men van achter aan den bak van de kar hangt.

Ook omloop.

ACHTEROMRIEM, z. nw., m.. ~ (Voerman) Lange lederen riem die door de kruin van het gareel gaat en vast is aan de gareelknuppels.

ACHTERONDER, z. nw., m.. (nieto.) — Z. Wdb..

ACHTEROVER. = A la renverse, sur le dos. z. Wdb. Achterover komt voor in eene menigte samenstellingen zooals : achterovertuimele?i, acht er over gaan , achter over duikelen, achteroverstaan, achteroverzwejnmen, achter overleggen, acht er over geraken, enz..

ACHTERPACHTER, z. nw., m.. = Laatste pachter, hij die laatst biedt bij eene verpachting.

—= Laatste, le iernier, in 't algemeen. Altijd de achterpachter zijn.

ACHTERPEE, z. nw., vr.. = (Boom) "Wortel van den boom langs den kant der gracht.

ACHTERPLAATS , z. nw., vr.. = Kamer waar men zich opschikt, en niet achterplein, gelijk Kramers zegt. Haald mijnen hoed eens, ik heb hem gisteren in de achterplaats afgedaan.

ACHTERPLICHT, z. nw., vr.. — Z. Achterdek.

ACHTERPOORT, z. nw., vr.. —Z. Wdb..

—=Aars, achterste. C. Het achterpoortje van het verken.

ACHTERREEP, z. nw., m.. = (Boer) Reep met een oog vast aan den voorreep en langs de andere zijde aan den woel. Z. Voorreep en Woel.

—= (Boom) Reep die van de katrol naar den voorstaak gaat, terwijl de voorreep aan den te vellen boom vast is.

ACHTERRONG, z. nw., v.. = (Wagenmaker) Een der twee laatste staande sporten der wagenladder.

ACHTERSCHINKEL, z. nw„ m.. = (Vleeschhouwer) Schenkel dichtst bij de bil.

ACHTERSCHIP, z. nw., o.. = (Schipper) Plaatsken van achter op sommige schepen waar de stuurman in zit als hij het schip bestuurt.

Meest stuurbak.

ACHTERSCHOF, z. nw., o.. — Z. Achterbard.

ACHTERSCHOT, z.nw., o.. — (Schipper) Schutsel tusschen ruim en achteronder om het te onderscheiden van het voorschot.

ACHTERSTAAK, z. nw., m,. = (Boom) Staak

die met eene koorde den voorstaak kloek houdt. Moest de voorstaak wijken, dan zou de boom te vroeg of slecht vallen.

ACHTERSTAAN, werkw., onov., (hebben). — Ten achteren staan, te late uur wijzen, van een uurwerk gezeid. Mijne horloge staat tien minuten achter.

ACHTERSTE, z. nw., o.. — Z. Wdb.

Spr. : Zoo lomp als 't achterste van een verken.

ACHTERSTEK, z. nw., m.. = (Vinker) Een der stekken of stokken die achter het net in den grond geslagen zijn en waar de koorde aan vast is.

Er zijn aan ieder net ook twee voorstekken.

ACHTERSTEL , z. nw., m.. = Achterstal, schuld die volgens den bepaalden tijd niet betaald is. D. K. rehquum non solutum.

Zu idnederlandsch zegt V.. Wdb. der Nederl. Taal: « Beide woorden (achterstal en achterstel) werden voorheen onverschillig nevens elkander gebezigd. Thans is achterstel nog in 't Vlaamsch bekend doch in Noord-Nederland verouderd. »

Z. Achterstelle, bij Verdam.

ACHTERSTELLIG , bijv., nw.. = Achterstallig.

Zuidnederl. zegt V..Z. Achterstellich, bij Verdam.

ACHTERUIT, z. nw., m.. (niet o.)= Kleine hof, grond achter het huis. S. V. Ik zou dat huis wel huren, maar daar is geen achteruit aan.

Ook achterbuiten.

— Op zijnen achteruit zijn, op zijn achterdeel zijn, achteruit zijn.

—= Achterste, aars.

Spr. : Met zijnen achteruit in de boter vallen, het treffen, gelukkig zijn.

ACHTERUITBOEREN, werkw., onov., (zijn). = Achteruitgaan, slechte zaken maken. C. V. Die winkelier boert alle jaren achteruit.

ACHTERUITBRIN GEN, werkw., overg.. = Achterwaarts brengen, naar achter doen. Hij bracht zijnen voet achteruit om mij te doen vallen.

ACHTERUITDEIZEN, werkw., onov., (hebben en zijn). = Achterwaarts deinzen, naar achter deinzen V. D. achteruitdeinzelen. Het peerd deisde achteruit, als het van de zweep kreeg.

ACHTERUITDRIJVEN, werkw., overg.. = Naar achter stuwen. Ge moet de schapen achteruitdrijven , ze zitten aan de klavers.

— tusschenv. (zijn) = Naar achter gestuwd worden. Als het water afloopt, zal het schip achteruitdrijven, indien het naar Antwerpen moet.

ACHTERUITGAAN, werkw., onov., (zijn). — Z. Wdb.

Spr. : Achteruitgaan gelijk de zeeldraaiers van Hamme.

ACHTERUITGERAKEN, werkw., onov., (hebben). = Naar achter raken, achteruitgaan, achteruitraken. V. Met slecht op te passen, geraakt men achteruit in zijne zaken.

ACHTERUITLEEREN, werkw.,onov., (hebbenen zijn). = Vergeten van 't gene men vroeger leerde en

5

Sluiten