Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AFKIEZEN, werkw., overg.. = Afstellen door eene kiezing. De burgemeester staat in de beet van t volk , hij zal den naasten keer afgekozen worden.

AFKIJKEN, werkw.,overg.. =Afletten, afspieden. Ze zeggen dat de brouwer dikwijls des avonds naar die herberg gaat; we zullen hem eens afkijken.

AFKLAKKEN, werkw., onov., (zijn). = Kort breken, afknappen. D. Hij kwam maar half aan den tak en toch klakte hij af.

Meest af krakken.

AFKLAPPEN, werkw., overg.. = Afpraten, ontraden. D. T. Mijn zoon is van zin naar Amerika te trekken, maar ik zal hemMat wel af klappen.

AFKLEPPEN, werkw., onov., eenp., (zijn). = Laatste klokslagen geven, juist vpordat de mis begint. Ge zult te laat komen, want het is al een beetje afgeklept.

In sommige plaatsen gebruikt men het ook voor het kleppen of slaan der klok, i» bij den Sanctus,

2° ais net brandt, 3° voor eene berechting".

Voor afkleppen zegt men ook inkleppen.

Ook afklippen.

AFKLETSEN, werkw., overg.. = Aframmelen. C. T. R. Ik zal hem eens duchtig afkletsen, als'hij te huis komt.

— = Haastig voltrekken. C. D. T. R. Ik heb nog een slot te maken, zei de smid, ik zal 't algauw gaan afkletsen.

,= Afkiezen. In t jaar 84 wierden de liberalen bijkans overal afgekletst.

AFKLETSING, z. nw., vr.. — Z. Afbattering,

AFKLIPPELEN, AFKLIPPEREN, werkw., overg.. = Met knuppels afslaan of afwerpen. D. Noten afklippelen.

Bij C. a/kluppelen, ook bij D.

AFKLIPPEN, werkw., onov., eenpers., (zijn). — Z. Afkleppen.

AFKLOEFEREN, werkw., onov.. = Al gaande groot gerucht met de kloefen maken.

Wordt met komen gebezigd: hij komtafgekloeferd.

AFKLOETEN, = (Boer) Met kloeten of brokken een voor een afsteken. De bovenlaag van eenen akker afkloeten.

AFKLOPPEN, werkw., overg.. = Afkuischen. Klopt uwe schoenen af, ze hangen vol modder.

Wij zeggen niet een kleed afkloppen, maar een kleed uitkloppen of uitslaan.

Spr. : zijne schoenen afkloppen, hard loopen.

—= Ten einde toe kloppen. Die werkman kan honderd schooven afkloppen, dat is, uitdorschen.

— (Schoenmaker) Den schoen afkloppen, met het voorste van den hamer op den hiel kloppen, eer deze volledig afgewerkt is.

Ook op steek kloppen.

AFKNEUVELEN, werkw., overg.. — Z. Af batteren.

AFKNOTSEN, werkw., overg.. ~Z. Af batteren.

—= Onbehendig afwerken. Die jonge schrijnwerker werkt wel rap, maar hij knotst af, in plaats van af te maken.

AFKNUFFELEN, werkw., overg.. = Afknagen, afkluiven. C. Hij is bezig met een hepsebeen af te knuffelen.

AFKOMiMjEN, werkw. ,onov., (zijn). — z. Wdb. Spi. . Ze konten af gelijk de hagelsteenen , rap en veel. Iemand hoor en ff kommen, weten, raden wat hij begeert. C. Bij V. Zuidnederl . Op zijne zokken afkomrtun, door bedekte woorden naar zijn doelwit gaan. Hij komt weer op zijne zokken af om wat drinkgeld te krijgen.

— Z. Afgaan. Bieman.

—= Den prijs dien men eerst gesteld had, verminderen. D. Komt gij tien frank af, ik zal er vijf bijdoen, dan is de beest verkocht.

AFKOOPEN, werkw., overg.. — (Kaartspel) Op den troef waar iemand mee gekocht heeft een hoogeren leggen die dus den eersten nietig maakt. Ik heb hem eenen slag afgekocht met mijne troef acht Ook afsnij(de)n en afstekken.

AFKORTEN, werkw., overg.. — Baten, helpen. C. Gij hebt nu zooveel moeite gedaan, maar 't kort niet af.

— Z. Afdokken.

AFKOTEREN, werkw., overg..=Doen afscheiden of afdalen door te koteren. V. Als ge niet zwijgt, zullen wij u de trappen afkoteren.

Bij C. afkeuteren, bij D. afkotteren.

AFKOUTEN, werkw., overg.. = Afpraten, afklappen. Iemand iets afkouten.

AFKRABBELEN, werk., overg.. = Al kribbelende schrijven. Hij heeft zijnen brief haastig afgekrabbeld.

Ook af kribbelen.

AFKRABBER, z. nw., m.. = (Bakker) IJzeren hak waar men den deeg die aan den trog blijft kleven, mede afkrapt.

Ook afkrauwer.

AFKRAKEN, werkw., overg.. = Krakende afbreken. D. Eenen tak afkraken.

— onov. (zijn). — Z. Af klakken.

AFKRAKKEN, werkw., onov., (zijn). — Z. Afklakhen.

AFKRAUlWE'N, werkw., overg.. = Snel afdoen, haastig afwerken. Toe, gaat maar wandelen, ik zal ik dat werk wel voor u afkrauwen.

AFKRAU(WE,iR, z. nw., m.. — Z. Afkrabber.

AFKRIBBELEN (i=«kort), werkw.,-overg.. — Z. Af krabbelen. C.

AFKUISCHEN, werkw,, overg.. == Afvegen, reinigen. C. De tafel wordt na het eten afgekuischt.

Zuidned. zegt V.

— (Mandenmaker) Manden, korven afkuischen, de kleine eindjes wijm die buiten het werk komen, met een mes afsteken.

Sluiten