Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AFKUNNEN, werkw.. overg.. = Overwinnen. Mijn hond vocht tegen de kat, maar hij kost heur niet af. Jan en Pier zijn felle leerlingen, maar Pier kan Jan toch niet af in de opstellen.

AFLAAT. z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Nu is het tijd dat er aflaten komen, zegt men, al lachende, in het spelen of anders, om te beteekenen : de zaak staat slecht, 't is tijd dat de kans keert. Aflaat verdienen beteekent ook, bij de boeren, den kant aflaten.

AFLANGEN, werkw., overg.. — Afnemen. Langt den pot af van de stoof.

—= (Kaartspel) Afnemen, cóuper, Nadat de deeler de kaarten doorschud heeft, mag de tegenpartij, vóór het deelen, aflangen.

Ook afpakken.

AFLAPPEN, werkw., overg.. = Haastig verrichten. C. V. Ik heb mijn werk algauw afgelapt, nu kan ik eens uitgaan.

— = Afschieten. Hij lapte den hoogsten vogel af.

—= Doen verliezen met te schieten, in het marmel-

spel. Ik wierd door den laatste afgelapt en moest al mijne marmels geven.

— = (Schoenmaker) De zool aan den rand naaien.

— Z. Afbatteren.

AFLATEN, werkw., overg.. = Loslaten, laten uitloopen. Eene klouw, eene koorde aflaten.

— (Boer) Eenen kant aflaten, hem kuischen en opschudden voordat hij gezet wordt.

Ook aflaat verdienen, al schertsende. '

— (Brouwer) Eene kuip, het bier aflaten, laten afloopen. De kuip is afgelaten.

AFLEE DE)N, werkw., overg.. = Afleiden.

—= Onverhoord doorzenden. De jongen kwam eene plaats vragen, maar de meester leedde hem af met. 'nen hoop schoone woorden.

AFLEEGEN, werkw., overg.. = Lager maken, verlagen. Als een deel van den akker te hoog ligt, wordt dit door den spitter afgeleegd.

AFLEESHUIS, z. nm„ o.. = Huisken dat gewoonlijk van 't gemeentehuis deelmaakt en waar des Zondags na de hoogmis aan 't vergaderd volk de nieuwe afkondigingen, wetten en voorschriften afgelezen en bekend gemaakt worden.

AFLEG, z. nw., m.. = Afgelegde kleederen. De meid krijgt in dat huis al den afleg van de juffrouwen.

Bij C. afzet.

AFLEGGEN, werkw., overg.. = Doen, voltrekken. V. D. Op hoeveeltijd kunt gij dien weg afleggen ?

— Eenen doode afleggen, hem wasschen en op een bed gereed leggen om gekist te worden. C.

— = Aflossen. Eene schuld afleggen.

V. heet deze beteekenis gewestel. en Zuidnederl..

— overg.. = (Kleermaker) Afboorden, afzoomen.

C. Een kleed afleggen.

onov., (hebben). = Verlost worden, van koeien

en geiten. K.foe'.are. Onze koe heeft afgeleed.

AFLEKKEN, werkw., overg.. = Aflikken. C. D.

Spr. : Hij zag er uit gelijk een a/gelekte boterham, bleek, ontzenuwd.

AFLETTEN, werkw., overg.. = Gadeslaan, afspieden. C. T. E. Wij zullen hem eens afletten om te zien waar hij gaat.

— Let dat eens af, zegt men, slaat gade hoe dat eindigen zal, ge zult zien dat ik gelijk hebben zal.

—— Afwachten. Wij zullen den doktor afletten om hem binnen te roepen, als hij voorbijgaat.

AFLEUREN, werkw., overg.. = Leuren, te koop bieden langs.... Alle straten afleuren.

AFLEZEN, werkw., overg.. = Lezende laten hooren, lezen. S. Hij heeft zijne rede niet voorgedragen, maar afgelezen.

Kr. vertaalt het door lezende afkondigen, publier en lisant; het gedacht van afkondiging is er in het land van Waas niet altijd bij.

AFLIKKEN, werkw., overg.. — (Schoenmaker) Schoenen aflikken, ze afwerken met de boorden te likken. C.

AFLOETSEN, werkw., overg.. = Listig afhalen.

De groote jongens, loetsen de kleine hunne knikkers af.

Ook afluizen, aflutselen en aflutsen. AFLONKEN, werkw., overg . = Bespieden, af¬

letten. Iemand van achter de gordijn aflonken.

AFLOO(DE)N, werkw.. overg.. = Den rechten stand van iets met het schietlood onderzoeken, plomber. C. D. De muren moeten afgelood worden.

Z. Aflooden bij Verdam.

AFLOOP, z. nw., m.. = (Metser) Schuinsche kap boven eenen muur om het water te doen afloopen,

—.= (Metser) Afronding beginnende aan den smallen rand onder en boven den schacht eener zuil, congé.

Ook oploop.

AFLOOPBUIS, z. nw., vr.. = (Blikslager) Buis om het water van de kornis naar beneden te leiden.

AFLOOPEN, werkw., overg.. — Beridderen. Ge moet u met die zaak niet bemoeien, ik zal ik die wel afloopen.

—= Al loopende breken. Een beeld den arm afloopen.

— onov., (zijn). = Lens worden. D. Het slot van de pomp is niet dicht: zij loopt af. De pomp is afgeloopen.

—= Ledig worden. De ton is afgeloopen.

— onov., (zijn). = (Bieman) Den korf verlaten, de wijde wereld invliegen. De bieman moet waken om den zwerm die afloopt, te kunnen vaten. Een zwerm loopt af, wanneer de moeder met een deel der bieën den korf verlaat, om eene nieuwe kolonie te stichten. Als men den zwerm op eenen korf doet en deze vuil is of de bieën niet bevalt, dan loopt de zwerm af. De bieën loopen ook somtijds af uit

armoede.

Sluiten