Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een kroon die gij niet moogt verliezen.

Des Zomers zal het vriezen, Des Winters zal het zonneken schijnen, En de sneeuw die zal verdwijnen, En Jantjen is verdronken. De boeren dragen houten klompen. Pif, poef, paf,

Anne Marie,

Van 't hof ter sprie,

Gij zijt af.

Onder den meulen, daar lag nen blok. Is hij gestolen ? of ligt er hij nog ? Vlieme, vlamme, Notredamme,

Pij ken is taroef,

Gij zijt eerst af.

Onder de bank, Knotjeszand,

Ie,

Toutelie,

De biscopie,

Hannegat Pannegat,

Af.

Eunum Deunum,

Siska deunum,

Akkerdevra,

Palmesa,

Mieken de flonk,

Kardisonk.

Eunum, deunum, trip,

Kemel, kamel, schip,

Schip van gratie, Komplematie,

Ie,

Bellemie,

Af zijde gi.

Handjes draaien,

Koeken bakken mee vlaaien. Zet uw handjes in uw zij,

In dat potteken roeren wij brij.

In den steenput lag een koe. Lieve geburen, wat geefde gij toe ?

Een pond, twee pond

Tien pond, af.

Achter den meulen Lag ne pao met zeven jongen,

Ik heb er zoo dikwijls over gezongen, Over gezongen is mij niet berouwen.

Daar kruipt een luis op iemands mouw.

Luizen zijn geen muizen ;

'k Heb er nog zeven tonnekes thuis,

Zeven tonnekes wel gemeten Zonder vlooien of zonder scheten. Pif, poef, paf,

Anne Marie,

Van 't hof ter sprie,

Gij zijt af.

Kazzen Verstraeten mee zijn peerd En met zijn slechte karre,

Hij reed er mee naar Gent,

Hij viel er mee omvarre En ieder lachte mee den vent. Pif, poef, paf,

Gij zijt af.

Eiken, beiken,

Tierlatos, tiatos.

Koben, laat uw hondjes los,

Laat ze loopen in den bosch, Ze zullen pakken een konijn En gij zult afzijn.

Hooiband, strooiband, Kuipband, vlasband,

Wiegband, zakkeband.

Af.

Edeleer, bedeleer,

Bakkers, brouwers, knecht,

Henten, geprenten,

Genomen, gestolen, gekocht,

Gij zijt afgeklopt.

Mijn vader had een peerd beslagen, Hoeveel pinnekens steken er in ? Een, twee, drij, vier, vijf, Zes, zeven, acht, negen, tien.

Azijn, azijn !

Meisken (of manneken) wilt gij hem (of af) zijn ? Gij zijt hem (of af).

Er reed 'ne keuning over 't water Mee 'nen zilveren theater.

Mee een zilveren trompet,

Al die schepen overzet,

Scheurt den briel wederom,

Recht of krom.

Gij zijt af.

Te Mechelen ligt een vischken dood. Wie zal het gaan begraven ?...

Al die niet te lijke gaat, die zal een keersken dragen. Hondjes mee bottinekes aan,

Den haan mee vaders broeksken aan, De kalekoen Met vaders leeren schoen.

Wie moet er nu de misse doen ?

Pietje mee zijnen gelapten schoen.

Sluiten