Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AFTOUTEREN, werkw., overg.. — Z. Afbatteren.

C.

AETRANTELEN, AFTRANTEN, werkw., overg.. = Met kleine stapkens afwandelen. C. Grootvader, om wat te verkwikken, trantelt iederen achternoen heel den hof af.

AFTRAPPEN, werkw., overg.. — (Boer) Ecnen

akker aftrappen, hem met de voeten ganscn toeireueu.

Ook aftrepelen, af trippelen en af drevelen, welke dnj op zeer kleine stapkens wijzen.

Bij D. Af trap pelen.

AFTREK, z. nw., m.. = Afdak geplaatst tegen een grooter gebouw.

V. heet het woord verouderd.

AFTREKKEN, werkw., overg.. = Ontkurken, ontstoppen, deboucher. T. Eene flesch aftrekken.

— Eene scheet, 'tien vloek aftrekken, luide laten hooren. C. T. R.

— = (Schoenmaker) Bestrijken. Den schoen inden zwarten was aftrekken.

(Wever) De snede aftrekken, de snede van den onder-

looper winden om ze dan op te vouwen. Eene spoel aftrekken, ze van de schietspoel trekken.

(Brouwer) Het Her aftrekhen, het bier van het vat

waar het op gedreven en gegist neett, op een ander vat laten loopen.

— Z. Afsteken.

AFTREKKER, z. nw., m.. = (Steenbakker) IJzeren plaat of houten plank, met handvatsel, dienende om het droge zand bijeen te trekken.

Ook kruier.

— = (Bakker) Ovenkrabber, loet.

Ook rokelijzer, rotelijzer, rotelkodde, vierstekcr en vuursteker.

— = Kurkentrekker. D. T. R.

— (Boer) Hooitasrijf waarmede de hooibinder het

hooi scheiden en tot zich trekken kan.

Spr. : Een buik met 'nen aftrekker, op iemand die zeer veel eten kan.

AFTRENZEN, werkw., overg.. — Z. Afbatteren.

AFTRENZING. z. nw., vr.. — Z. Afbattering.

AFTREPELEN. — Z. Aftrappen.

AFTRETSEN, AFTRITSEN, werkw., overg..

= Door het tritsen overtreffen.

— Al tritsende winnen. Er is in die herberg een

verkenskop af te tritsen.

AFTRIPPELEN. — Z. Aftrappen.

AFTRITSEN, werkw., overg.. — Z. Aftretsen.

AFTROK, z. nw., m.. = Aftrek, verkoop, débit. D. Boeken in stijve taal geschreven, hebben geenen aftrok onder het volk.

AFTROMPEN, werkw., overg.. = Op behendige wijze aftroggelen. K. eblandirifallaciis. Iemand iets aftrompen.

V. en Wdb. der Ned. Taal noemen het verouderd.

AFTRUFFELEN, AFTRUTSELEN, werkw.

overg.. = Afzetten, afwinnen, aftroggelen, o. ik ben ruts, hij heeft al mijn geld afgetrutseld. AFTUIGEN, werkw., overg. enonov..= Afgeven. Tuigt af, geeft mij al wat gij hebt, geeft mij uw geld.

AFTUINEN, werkw., overg.. = Met eenen tuin,

eene omheining afmaken. V. D. Eenen meersen aftuinen om het veulen te beletten er af te loopen. AFTUKKEN ,(« = hm kort), werkw., overg.. — Z. Afbatteren.

Bij R. aflekken.

— = wederk.. = Zich vermoeien door geweldige

P0ginK- . rl,

AFTWIJFELEN, werkw., overg.. = Atklappen, ontraden. Praat zooveel gij wilt, gij zult mij dat arht niet aftwiifelen.

— = Ontfutselen, afprangelen, afzetten. D. aftweefr

len. Gij speelt altijd met grooten die u ai uwe centen aftwijfelen.

AFVAGEN, werkw., overg.. = Afvegen.

Wij kennen enkel afvagen. Wdb. der Nederl. Taal zegt op afvagen : « Hetzelfde als Afvegen, doch met dit onderscheid, dat het laatste thans de gewone uitdrukking is, ook in de alledaagsche spreektaal, terwijl Afvagen (evenals vagen zelf) alleen tot den hoogerenof dichterlijken stijl behoort. InVlaamschBelgië echter wordt dit onderscheid niet in acht genomen en Afvagen ook in de spreektaal gebruikt.»

Z. Afvagen, bij Verdam.

AFVAL, z. nw., m.. — (Vleeschhouwer) De afval

eener beest is licht, lever, hert, pens, kop, maag, krop, koningshoofd, smalast en loospijp, samen genomen.

Ook kluive en kluiving.

AFVALLING, z. nw., m.. = Afgevallen vrucht. Gij zult voor uwe moeite de afvallingen krijgen.

Wdb. der Nederl. Taal geeft afvalleling.

AFVANGEN, werkw., overg.. = Den mond snoeren, mettre d quia. Door mijne laatste opwerping was hij afgevangen en kost niet meer voort.

(Kinderspel) U steken op afvangens: u steken of

zetten zoodat gij eenen anderen wenscht te vangen die naar den marmel van een derden makker

schiet.

— = Bedriegen, eene kwade pert spelen. C. T. R. Zeggen dat ge 't zwijgen zult en het dan aanstonds aan iederen gebuur vertellen, is dat niet iemand afvangen ?

AFVEREN , (zware e), werkw., onov., (zijn). = Afvaren.

AFVIGGELEN, AFVIJLEN, werkw., overg.. = Slecht en grof afsnijden. Hij viggelde mij daar

eene sonk af, dat ik ze bijkans niet overpakken kost.

Bij C. en R. affikkelen, bij D. affiggelen.

AFVIJZEN, werkw., overg.. = Afschroeven, losmaken met vijzen uit te draaien. C. D. Eene leen van de deur afvijzen.

Sluiten