Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AFVLIEGEN, werkw., onov.. — Afschieten, afgaan. Ik raakte maar aan den haan en het geweer vloog af.

AF VLIEMEN, werkw., overg.. = (Boer) Aftoppen, de toppen afsnijden. De tarwe afvliemen.

Ook de tarwe vliemen.

Bij C. afvlimmen.

Men vliemt de tarwe af op half Mei of einde van Mei, als zij haren halven wasdom heeft en buitengewoon weelderig staat. Door haar sterk opschieten is zij zeer slap van stam en zal gauw vallen ; zij is ook niet geneigd om vrucht voort te brengen. De maaier komt dan met sikkel of pik en maait de uitstekende vliemen een eind af. Haar groei staakt wat, maar zij zal zwaar graan voortbrengen.

AFVOEREN, werkw., overg.. — Een peerd afvoeren, zoolang doen trekken totdat het uitgeput is. T.

AFVRAAG. AFVRAGING, z. nw., vr.. — In de uitdrukking: afvraag doen of afvraging doen, de toestemming tot het huwelijk vragen.

Z. Afvragen.

AFVRAGEN, werkw., overg.. — Het kouwelijk afvragen, de toestemming om te mogen trouwen wettelijk vragen. Zijn vader wil niet., maar 't geeft er niet aan ; 't houwelijk is door den notaris afge¬

vraagd en t gaat voort.

AFVRAGING, z. nw., vr.. — Z, Afvraag.

AFWACHELEN, werkw., onov., {zijn). = Afwaggelen.

AFWACHTEN, werkw., overg.. —Z. Wdb..

Spr. : Dat moet gij afwachten gelijk de pastoor zijne offerpenningen, dat is onzeker.

AFWASCH. z. nw., m.. = Het afwasschen. C. De meid is nog aan haren afwasch.

AFWEEiDE)N, werkw., overg.. = Afweiden.

AFWEGEN, werkw., overg,. = Door het gewicht doen afhangen. Dat zwaar geld weegt mijnen zak af.

AFWERKEN, werkw., overg.. —Eenen boom afwerken, de zijwortelen afkappen en hem in het ronde gansch vrij maken.

—= Afmaken, ombrengen. S. Een verken afwerken. —= Aframmelen.

AFWIJZEN, werkw., overg.. = Afkeuren, beknibbelen. V. C. Gij zijt nooit voldaan en weet op alles wat af te wijzen.

AFWINNEN, werkw., overg.. = Afwinden.

AFWINTELEN. werkw., overg.. = Afwentelen.

AFWRIJVEN, werkw., overg.. — (Boer) De hoorten afwrijven, bij het dorschen, het kort stroo op zijde leggen. Z. Hoort.

AFWORP, z. nw., m.. — De afworp eener beest is de afval met het vel, de tong en de sipieten daar nog bij.

A.FZAAT, bijv. nw.. — Eene streek is afzaat van eene andere, als zij voor het burgerlijk bestuur aan eene gemeente behoort en voor het kerkelijk aan eene andere.

AFZAGEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : t Is een die nevens de menschen afgezaagd is, van iemand die zeer dom of lomp is.

AFZAKKEN, werkw., onov., (zijn). = Stillekens en traag toekomen. Na den regen kwam 't volk naar het dorp afgezakt.

Met komen in 't verleden deelw. gebezigd.

AFZEGGEN, werkw., overg.. — Iemand afzeggen, zeggen dat men hem niet meer noodig heeft, dat hij niet meer komen moet. C. Hij ging al drij maand in dat huis, maar, als hij vroeg om met de dochter te trouwen, danwierd hij afgezeid.

Zuidned. zegt V..

AFZEILEN, werkw., onov., {zijn). — Afkomen, zonder gedacht van varen.

Met komen gebezigd Wanneer komt ge eens afgezeild naar Sint-Niklaas ?

AFZET, z. nw., m.. = (Boer) Wat men bij het afzetten met de spade afsteekt. Een diepe afzet maakt zuiver werk.

AFZETTEN, werkw., overg.. = Afwinnen met

spelen. C. Iemand al zijne centen afzetten.

—= In het breien, minderen, eindigen, tegenovergestelde van opzetten. C. Eene kous afzetten.

—= 'Nen vijver, eene sloot afzetten, er het water van aftrekken en uithooschen. D.

— (Wever) Eene streng af zetten, ze van de winde afdoen.

— (Bakker) Het brood afzetten, het op bollen zetten om het te laten rijzen.

— (Boer) Het vuil afzetten, het land afzetten, bij het spitten de bovenste laag grond met het onkruid bij middel der spade afsteken en in de spitvoor werpen. D. De knecht is bezig met af te zetten.

Wanneer men spitploegt, of spit met de groote

ploeg, gebeurt het afzetten anders : Eene gewone ploeg met éen peerd bespannen, rijdt den akker rond. Die zet dan eigenlijk af, want de bovenste aarde door die ploeg afgereden, valt in de diepe spitvoor door de groote ploeg of de spitploeg gemaakt die met twee of drie peerden bespannen is.

Soms ook afsteken.

— onov., (hebben). = Zijn water loozen. C. Jan is achtergebleven om eens af te zetten.

AFZETTER, z. nw., m.. = (Boer) Jonge knecht die de bovenste laag grond met het onkruid afpelt.

Bij het spitploegen is de afzetter man en peerd die vooroprijden.

Z. Afzetten.

— — Laatste borrel dien men drinkt, tzij na het eten, tzij anders. V.Wij gaan nog een afzetterken pakken.

AFZICHELEN, werkw., overg. = Afsnijden met de sikkel. C. Afzikkelen. Het ga(r)s afzichelen.

Sluiten