Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

li.

De booze ridder Alewijn,

Dat was een ridder hupsch en fijn (bis).

Te midden van het donker woud. Had hij hem een kasteel gebouwd.

Daarheen lokte hij zoo menige jonkvrouw Die hij beloofde zijne trouw.

Waardoor hij zoo menig schoone maagd Heeft tot der dood gebracht.

Al die heer Alewijns liedje hoorden zingen, Kosten hun hertje niet meer bedwingen.

Hun herte wierd gekweld met pijn Om bij heer Alewijn te zijn.

De koning van het land Had een dochter begaafd met veel verstand.

Zij was bovenmate schoon En droeg op haar hoofd een gouden kroon.

Zij had heer Alewijns liedje ook gehoord En wierd in haar herte bekoord.

Het herte van dit maagdelijn Wierd getrokken om bij hem te zijn.

Zij sprak haar vader zoo minzaam aan : Vader, mag ik bij heer Alewijn gaan.

O neen, mijn dochter lief en schoon,

Daar verliest gij uwe eer en gouden kroon.

Dan sprak zij tot haar moeder fijn : Ach moeder, ik wil bij heer Alewijn zijn.

Neen, dochter lief, daar gaat gij niet,

Daar kwaamt gij in schande en verdriet.

Dan sprak zij tot haar zuster zoet:

Ik wil gaan bij heer Alewijn met spoed.

Neen ! daar gaat gij niet, mijn zuster teer, Gij verliest er uw leven en uwe eer.

Zij sprak dan : Broeder, wilt mijn bede toestaan, Mag ik van u bij heer Alewijn gaan ?

— 't En let mij niet waar gij henenvaart Als gij uw gouden kroon maar wel bewaart.

Zij gong op hare slaapkamer, daar Ontvlocht zij haar schoon lang haar.

En wat deed zij om haar leden fijn ? Een hemdeken van wit satijn.

Wat deed zij aan voor een rok ? Met op ieder plooi een gouden knop.

En zij deed aan een schoon kleed Met plooien wijd en breed.

Zij heeft eenen voorschoot aangedaan Met gouden lintjes aan.

En wat deed zij aan haar voetjes fijn ? Schoentjes van blauw satijn.

En wat zette zij op haar schoon blond haar? Een kroon die woog van goud zoo zwaar.

En wat deed zij aan haar slanke zij ? Een schoon blank zweerd daarbij.

Dan sprong zij op haar vaders beste ros. En reed al zingende naar het bosch.

Zij reed drij dagen lang,

Zij hoorde den zoeten vogelzang.

En al de vogelkens zongen overluid.

Daar rijdt heer Alewijns schoone bruid.

Het was reeds den vierden dag Als zij heer Alewijn zag.

Hij kwam haar tegen in het donker bosch, Gezeten al op zijn machtig ros.

Hij sprak : welkom, maget schoon Die draagt op uw hoofd een gouden kroon.

Gij zijt die schoone blonde maagd. Die aan mijn hert en ziel behaagt.

Gij zijt die maagd met oogen hemelsblauw Waarmee gij menig hertje raken zou.

Volgt mij naar mijn kasteel in het donker woud, Daar zullen wij zijn welhaast getrouwd.

Zij reed dan fier als eene koningin Met heer Alewijn boschwaarts in.

Terwijl zij reed aan zijne zijde voort, Sprak hij tot haar zoo menig zoete woord.

Maar, eer zij waren aan zijn kasteel, Zag zij daar een wreed tooneel.

Zij zag daar zestien galgen staan,

Daar hingen al schoone maagden aan.

Dan sprak de booze ridder Alewijn : Wel schoone blonde maget fijn,

Sluiten