Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AL TH KA BOOM , z. nw., m.. = (Kruidkunde) IIibiscus syriacus, (ilthcc, ketmie des jardiniers, fam. Malvac,.

ALTIJD, bijw.. — Z. Wdb..

— = In alle geval. C. Ik weet niet of ik morgen zal te huis zijn, maar ge kunt altijd eens komen zien.

ALTIJDAAN. bijw.. = Immeraan, altijd voort, zonder ophouden. C. R. Hij gaat altijdaan voort met mij te smeeken, ik zal op 't einde moeten toegeven.

ALTIJD BLOMMENDE DAGKLOKSKEN, z. nw., o.. = ("Kruidkunde) Benedictekruid, Geum coccineum, benoite écarlate, fam. Rosac..

ALTIJD LEVENDE RIDDERSPOOR, (zachte of scherpe o), z. nw., vr.. = (Kruidkunde) Ridderspoor, Delpkinium elatum, pied d'alouctte, damphinelle, fam. Ranunc..

Ook bit, mosbie en lang levende ridderspoor.

ALTIJDS, bijw.. = Altijd. D. ook altijde en altijd-

sten.

— Altijisaan, gedurig voort. D. Het regent altijdsaan.

A(L)TWEE, bijw.. = Twee, twee keeren, Z. Aldrij.

ALUIN, z. nw., m.. (niet vr.). — Z. Wdb..

A(L)VERRE, bijw.. = Daaromtrent, bijna C. D. Hij is alver zoo groot als zijn broeder.

ALWBERAL, bijw.. = Alweer. C. Gij komt alweeral te laat.

A(L)WEL, bijw.. = Evenwel, toch. Hij zal alwel toch dat niet doen, zeker ?

Meest met toch gebezigd.

ALZEKER, bijw.. = Voorzeker. Wat gij daar zegt, is alzeker niet waar.

A(L)ZOO, bijw.. — Iets alzoo laten, van iets niet meer spreken, het vergeten. Om alzoo te laten, gemeen, niet zeer voldoende. Hoe gaat het met den zieke ? — 't Is maar om alzoo te laten.

—= Omtrent, environ. D. Hij was alzoo een jaar of tien oud.

— Alzoo zijn bevrucht zijn.

— bijv. nw.. = Zulk. Alzoo een weder hebben wij nog niet gehad.

A LJZOOK. A(L)ZUUK, bijv. nw..—Zulk. Azook een kleed heeft niemand aan. K. al-solck, al-sulch, omnino talis.

Z. Alselck, bij Verdam.

AMANDELBLOM, z. nw., vr.. = (Kruidkunde) Wilde jasmijn, Philadelphus coronarius, seringat, fam. Philadelph..

Ook kaneelblom en messingblom.

— = Dentzia crenata, D. gracilis, fam. Philad..

Ook duzendsclioon.

AMANDELBROOD, z. nw., o.. = Gebak van bloem en honing, soort van speculatie, met amandels in gebakken. C.

AMANDELROOSKEN, z. nw., o.. = (Kruidkunde) Amandelbloem, Amygdalis rosea, fam. Amygd..

AMBAAR, (klemt, op baar) z. nw., m.. = Verdriet, moeilijkheid, tegengang. Wij zitten in den ambaar met de ziekte van onzen jongen.

AMBACHT, z. nw., o.. —• Z. Wdb..

Spr. : t Is twaalf ambachten en dertien ongelukken, van iemand die mislukt in al wat hij onderneemt.

■ Stom ambacht. (Kinderspel) De spelers zijn in twee partijen verdeeld. De eene partij overlegt in stilte hoe het een of ander ambacht moet verbeeld worden. Wanneer alles goed afgesproken is, wordt de andere partij geroepen en'het spel begint; ieder is aan zijne bezigheid en..., zwijgt. De tegenpartij kijkt aandachtig en tracht te vinden wat de werkende gezellen verbeelden.

Ook stiel en ambacht.

AMBACHTEN, werkw., overg.. — Hard behandelen, mishandelen, slagen geven. D. Wij zullen hem ambachten, als hij die poets nog eens durft uitsteken.

— = Berispen, harde waarheden zeggen. Als hij naar huis kwam, heeft zijn vader hem geambacht dat hij 't lang onthouden zal.

AMBIEST (klemt, op biest), z. nw., m.. = Bijs, loop, gezeid van de koeien. De koe is op den ambiest. Als de koe dan op den loop is, roept men gedurig: ambiest, ambiest.

AMBIJL, z. nw., o. en m.. — Z. Aambild. AMBIJLBEETEL, z. nw., m.. — Z. Aambildbeetel. AMBIJLBLOK, z. nw., m.. — Z. Aambildblok. AMBILD, z. nw., m. en o.. — Z. Aambild.

AMBILDBEETEL, z. nw., m.. — Z. Aambildbeetel.

AMBILDBLOK, z. nw., m.. — Z. Aambildblok.

AMBRAS, (klemt, op bras), z. nw., m.. = Moeilijkheid, last. Fr. embarras. C. Verhuizen is een groote ambras.

— = Beslag, windmakerij. C. Hij maakt veel ambras.

Spr. : Veel ambras maar weinig in de kas.

AMBRASMAKER, z. nw., m.. — Windmaker. C.

AMEN, z. nw., m., (nieto.). — Z. Wdb..

Spr. : 't Is (er mee) amen en uit, 't is gedaan, 't is weg, 't is al opgeëten, verkocht, weggegeven, enz., er blijft niets meer over. Ik heb u nu geheel mijn gedacht gezeid en daarmee is 't amen en uit, ik en spreek er niet meer over.

AMERIKAAN, z. nw., m.. = Bleekroode aardappel.

AMERIKAANSCHE AJUIN, z. nw., m.. — (Kruidkunde) Bowié'a, soort van ornithogallis, fam. Liliac..

AMERIKAANSCHE FRAMBOOS, z. nw., vr.. — (Kruidkunde) Rubus spectabilis, fam. Rosac..

AMIGO, z. nw., m.. = Gevangenis. C.

Sluiten