Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze piste in de zee ; of alle balen helpen , zei de wolf (of de beer) en hij beet naar een mug.

— = (Boer) De melk en de boter die eene koe of eene geit geeft. D. Als de koe gesteken is, vermindert de baat.

BAATBEEST . BAATKOE. z. nw. vr.. - Melkkoe. De beenige koeien zijn gemeenlijk de beste baatbeesten.

BAATKOE, z. nw., v... — Z. Baatbeest.

BABBEL , z. nw., m.. Gesnap, gebabbel. D.

Spr. : Hij is voor den babbel, den bik en den buis

tot praten, eten en drinken genegen.

D. heeft in deze spreuk bik niet, en geeft aan babbel den zin van knauwing.

— = - Mond. V. D. Houd uwen babbel.

Kramers schikt het onder de nietgebruikelijke woorden.

BABBELAS , BAVVELES, z. nw., vr.. = Babbelaarster. C.

Bij D. babbelesse, babbelette, babbelege, babbeligge en babbelinne.

BABBELEER, BAVVELEER , [zware e),z. nw., m.. = Langwerpig snoepding, van siroop, suiker en meel, en met rekken en trekken taai gemaakt. D. S.

V. maakt er een balletje van.

BABBELEN, werkw., onv.. — Z. Wdb..

Spr. : Babbelen gelijk een ekster, gelijk een papegaai.

BABBELGAT . z. nw., o.. — Babbelaarster. C.R.

BABBELMUIL. BABBELSMOEL, BABBELTOOT, z. nw., vr . Babbelaar, babbelaarster.

BABBELPOT . z. nw., m.. Babbelaar.

BABBELSMOEL. BABBELTOOT. z. nw., vr. — Z. Babbelmuil.

BABBELTREES. BABBELTRIEN. z. nw., vr.. — Babbelaarster,

Nevens bobijn en bebijn.

BABIJN , z. nw., vr.. Z Wdb..

Zoo ook voor al de woorden die afgeleid zijn van en samengesteld met bobijn.

Spr. : 't Is lijk een babijn die afloopt, op iemand die fel in het praten is.

BABIJNEWIEL , z. nw., o.. — Bobijn wiel.

BABIJNTUIT , z. nw , vr.. = Bobijntuit.

BACCHUS, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Het is precies Bacclius op de tonne, van eenen dikke.

Ook Bakus.

BAD, z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr.: Van 't bad in yt voetwater geraken, achteruitgaan in'zijnen handel, in zijne bezigheden.

BADANK (klemt. op dank), z. nw., m.. = Snoe¬

per. Manneken, gij krijgt geenen cent 1 want gij zijt een badank.

BADDEN , BADDEVIEN, BADDEVINUS (klemt, op vien en vinus), z. nw., m. = Sul, dommerik.

~ (Boer) Soort van koejong'en die met het vuilste werk gelast is.

BA(D)EN. werkw., onov. (hebben). -= Waden. Z Wdb..

Spr. : Hoe dieper dat ge baadt, hoe natter dat ge wordt, van de ondeugd of van eene slechte onderneming. Springen of baden beteekent zooveel als:

ge moet 't een of't ander doen.

D. geeft springen of banen.

BAF, z, nw., m.. = Hevige doffe slag. C. Hij viel van den trap en hij gaf 'nen baf tegen de steenen dat ik het tot buiten hoorde.

Bij D. baffe, bafe en bave.

BAF, z. nw., m.. = - Eten, kost. C. T. R. Al de knechten worden vet op dat boerenhof, ze hebben er den vollen baf.

BAFFEN, werkw. onov. (hebben). = Veel eten. C. R. Die voerjnan kan baffen.

BAFFER, z. nw., m.. Grootecter. R. S.

BAFZAK. z. nw., m.. — Z. Baffer. S.

— - Diklijvige mensch. Dikke bafzak Ook paf zak.

BAGA (klemt, op ga), z. nw., m.. Wind, beslag. D. bagaai. blxai en blagaai. Veel bagli maken.

BAGAGE, z. nw., vr.. = Beslag, gerucht. Vijf centen verliezen, is dat de moete weerd om daar zooveel bagage over te maken ?

— Spotnaam, op iemand die veel beslag maakt.

D. 't Is een onnoozele bagage.

BAGAGEMAKER. BAGAMAKER. z. nw., m.. = Windmaker, beslagmaker, D. bagaaimaker.

BAGAMAKER, z. nw., m.. — Z. Bagagemaker.

BAGET (klemt, op gel), z. nw., vr.. =.- (Timmerman) Lijstwerk waarvan het profiel den vorm heeft eener halve ronde, die met het platte vlak tegen een verder doorgaand werk stuit, baguette.

— = (Wever) IJzeren staaf waar de jager op loopt.

BAGETIJZER. z. nw.^o.. = (Smid) Ijzer dienende om bagetten te maken.

BAGETSCHAAF, z. nw., vr.. = (Timmerm. Schaaf waar men de baget mede schaaft.

BAGGE, z. nw., vr.. = Rugmand, hot. IX S.

Gewest, zegt V.,

— = Dik, zwaarlijvig vrouwmensch ; slordige, vadsige vrouw ; stout meisje.

— = Stekelbaars, bijzonderlijk het wijfken dat eiers opheeft.

BAGGEN. werkw., overg.. — In de uitdrukk. :

Sluiten