Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een duif baggert r eene duif bij den poelenier dragen om te verkoopen.

BAGGERBEUGEL, z. nw„ m.. = (Dijkw.) Zware ronde hoepel met talrijke gaatjes in ; langs de eene zijde is de hank, dien men op den baggerstok vastmaakt; langs de andere zijde is een neus om den beugel gemakkelijker in het zand of het slijk te kunnen steken.

BAGGERNET , z. nw.} vr.. — (Dijkw.) Zak van grauw lijnwaad die aan den baggerbeugel bij middel van bendel vastgeregen wordt. Z. Bendel.

Ook bagger zak.

BAGGERSCHOP. BAGGERSCHUP, z. nw., vr.. (Dijkvy.) Lichte schop gansch in hout, dienstig voor het scheppen van slijk en voor andere lichte grondwerken.

BAGGERSTOK, z. nw., m.. — (Dijkw.) Zeer lange stok , wel gelijkende op eenen vlaggestok ; op het uiteinde is hij voorzien van den baggerbeugel.

BAGGERWERK, z. nw., o . = (Dijkw.) Al de werken die het baggeren betreffen.

BAGGERZAK. z. nw., m.. — Z. Baggernet.

BAGIJN. z. nw,, vr.. = Begijn.

Spr. : Is er hier een bagijn te geeselen ? Is er hier iets buitengewoons te doen ? Werken is zalig, zei de bagijn, maar ze deed het noo.

BAGIJNENBOUT, z. nw , m.. = Dunne stok 'van zoethoutsap. Hij is min goed dan de gewone drop. kalissenhout genaamd.

— Spotnaam, knorrig, lastig vrouwspersoon.

BAGIJNENDOEK. z. nw., m.. = Fijn lijnwaad bijzonder geschikt voor de kap der kloosterzusters.

BAGIJNE N PLOOIROK, BAGIJNE N ROK, z.nw., m . = (Kruidk.) Nieskruid, Veratum album, V. nigrum ; veratre blanc, fam. Colchicac..

BAGIJNE(N SCHEETJE, z nw., o.. — Zeer kleine wind.

BAGIJNENTRUT, z. nw., vr.. = Preutschheid, fierheid, gemaakte eerbaarheid. Gij moet werken, kind, ik houd van geenen bagijnentrut.

BAGIJNE N'VLASKEN . z. nw., o.. = Zeer fijn vlas meest voortkomende van de afdracht des akkers.

BAGIJNHOF, z. nw., o.. = Begijnenhof.

BAGIJNTJE , z. nw., vr.. - (Vogel) Strandpluvier, TEgialitis torquatus, pluvier a collier.

BAGIJNTJE, z. nw., o.. = Klein mutsken door de kinderen gedragen. S. K. vitta puerilis.

BAGIPS (i = ie kort en geklemt.), z. nw., vr.. = Buigbaar wandelstoksken.

Ook gips.

BAGSTEG, z. nw., vr.. = (Schipper) Dikke touw die dient om den mast recht te houden, bij groote schepen.

Ook zijtijkel.

BAK,z. nw., m.. -- Het bakken D. S. Wij zijn in onzen bak.

Spr. : Iets van den ouden bak, ouderwetsch , versleten.

Gewest, zegt V..

BAK, z. nw., m.. - Z. Wdb..

Spr. : 't Is een slecht verken dat zijnen bak niet uiteet, op iemand die een deel van zijn eten laat staan,

— = Verdeeling van eenen schoollessenaar. Ieder leerling heeft zijnen bak.

— Den bak af zijn , verliezen in het spel, ten onderen zijn in den handel.

— De bak van eene kar of van eenen wagen is het gedeelte begrepen tusschen den bodem , de zijden, het vooren achterberd.

BAKBEEST, z. nw., vr.. — Schimpnaam, dronkaard, wulpsche kerel. D. S.

BAKBO(RiST, z. nw., vr.. = (Steenbakker) Barst, scheur in potten, pannen en plaveien, bij het bakken ontstaan. D.

Bij C. bahberst.

BAKEL, z. nw., o.. = Baak, baken. D. S.

— = (Steenbakker) Hoopken steenen die tegen de kruin van den oven raken en moeten zakken. Het bakel zegt den steenbakker of de steenen genoeg gebakken zijn, volgens dat het min of meer gezakt is.

Ook baken.

BAKELEN, werkw., overg en onov. (hebben). — Bakenen, met bakens bezetten. D. Eene straat bakelen.

BAKELEN, werkw., onov. (hebben). = Blaken. Gloeien. D. De zonne bakelt des middags in den Zomer. Het bakelt geweldig in dien hoek.

— Overg.. (Bakker) Den oven bakelen, een verschgemaakten oven fel heeten en hem aldus geschikt maken om er later in te bakken.

Ook den oven bakeren.

BAKEN, z. nw., o.. — Z. Bakel.

BAKEREN, werkw., overg.. — Z. Bakelen.

BAKGOED, z. nw., o.. == Stof om te bakken, meel. D.

BAKHOUT, z. nw., o.. = Sparrehout dat verkocht wordt aan de bakkers om hunne ovens te heeten.

Ook bakkershout.

BAKKEET, z. nw., vr.. = Bakhuis. C. D. S.

Ook ovenboor en ovenbuur.

Kramers zegt dat het bakhuis gewoonlijk deel uitmaakt van de boerenwoning; gewoonlijk staat het afzonderlijk op den hof.

Gew. zegt V..

Sluiten