Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een peerd den bal neemt om naar de ruiters te werpen ; is er een ruiter geraakt, zoo worden al de ruiters peerden en de peerden ruiters; smijt men er nevens, zoo blijven de peerden peerden. Indien de ruiters het geluk hebben den bal zoo behendig op te vangen dat hij drijmaal de ronde doet zonder te missen, dan moeten de peerden in draf drijmaal met hunnen ruiter rondloopen.

Daarna komen zij op hunne plaats om het spel te herbeginnen.

BALLEPIJP, z. nw., vr = Groote blaaspijp waar men, met potaarden ballen, mee naar de kleine vogels schiet, sarbacane. D. ook balpijp.

— = Proppenschieter, klakbus.

BALLEPIJPENHOUT. z. nw., o = (Kruidk.) Vlier, Sambucus niger, suriau, fam. Caprif. D. vertaalt S. niger door vlinder.

BALLIJKER (klemtoon op bal), z. nw.. m = (Schoenmak.) Houten, meest ijzeren bout, van voren breeder dan van achter, met rond boveneinde , dienende om den pollevij te doen likken , likbeen, astic. D.

Ook ballikker, bollijkcr, bollikker.

BALLIJSTER, z. nw., vr = (Vogel) Jeneversbeslijster, Ttirdus pilaris , grive litorne.

Ook djakker, djaklijster, groote Fransche lijster, Oostersche djaklijster, sjahlijster en tjokker.

BALLIKKER, z. nw., m — Z. Ballijker. D.

BALLINGSCHAP, z. nw., o. (niet vr.). — Z. Wdb. C.

Woordenb. der Nederl. Taal : « . vroeger ook dikwijls onz. gebruikt. »

BALLORE (klemt, op lo), z. nw., vr.. - Z. Ballote.

BALLOTE, z. nw., vr. = Dwaas, zot vrouwmensch. C. balluit, ballut. K. malloote, ambubaia. inepta et insulsa muiier.

BALLOUTER, z. nw., m = (Kindersp.) Groote bol waar de kinderen , in sommige marmelspelen , mede schieten.

Ook bietse en schietse.

Z. ook lolleket.

BALNET, z. nw. vr = Rond vischnet met reepen, filet a manche. C.

BALOOG, z. nw., vr. — Oog waar een perel op groeit,

— Spotnaam, hij of zij die een baloog heeft.

— Spotnaam , hij of zij die groote oogen heeft.

BALOORIG, bij v. nw.. = Verdoofd door geraas. D. baloorde. K de/essus audiendo.

Verouderd zegt V..

Z. balhorich bij Verdam.

BALPIJPER, z. nw., m = Hij die veel met de balpijp schiet.

BA.LROOS , (scherpe o), z. nw., vr — (Kruidk.) Sneeuwboom. Vilburnum opulus , viorne. C, D.

BALSOM. z, nw., m . = Balsem.

BALUL,BELUL, z nw., o.. = Kennis , benul. In de uitdrukk.: Geen balul van iets hebben , er niets van kennen. Die schilder heeft geen belui van zijnen stiel. V. belui en benul.

BALUSTER, z. nw., m. = (Timmerm.) I.euningpijler, baliistre.

BALVEN(S), BALVE N ST, voorz. en voegw. = Behalve. D.

Bij C. balver.

BALVORM z. nw., m. = Vorm waar men de ballen der balpijp in nijpt.

BALZEMIEN, z. nw., m. =.(Kruidk). Balsemien, Impatiens balsamina , balsamine , bellesamine, jalousie , fam. Balsam..

Ook beljamien , bellarmien, bellemien, belsamie?i, belzemien, benjamien.

BAM, z. nw., m„ = Boterham. C.

Wordt door en bij de kinderen gebezigd.

BAMES, BAMIS, altijd zonder lidwoord. = Feestdag van Sint Baaf of Bavo, vallende den eersten October. C. D. S.

— = Tijd rond Baafmis, Herfst. C. D.

— == Slecht, koud weder, gelijk 't dien tijd dikwijls is. C. De wind is zoo koud, 't is Bamis , zoudt ge zeggen.

Meest toch zegt men Bamisweer , slecht, guur weder.

Spr. : Loopt naar Bamis en gaat sikken, maakt u weg.

Z. Verdam : bamisse.

BAMISBLOM, z. nw., vr.. — (Kruidk.) Sterrekruid, Aster tradescantia , fam. Comp..

Die naam wordt ook gegeven aan andere asters die rond denzelfden tijd bloeien.

BAMISHOUT, z. nw., o = Baafmishout, klein hout dat in October van de boomen waait.

BAMISKAPEL, z nw , vr.. — In de spr. : Loopt naar bamiskapel, maakt u weg met uw onnoozel zeggen of doen.

BAMISNOOT. z. nw., vr.. = Baafmisnoot, noot die maar rond halfoctober rijp is.

BAMISWE(DER, z. nw., o. — Guur weder, gelijk het veel in October is. C.

BAND, z, nw., m. —Z. Wdb.

— Vat er de banden afspringen, geweldig, met kracht; werken dat er de banden afspringen. Er eenen band aan leggen , er eenen vloek bijdoen. Dat peerd heeft banden geiten, van een mager peerd wiens ribben men ziet liggen. Eer dat gebeurt, zullen er nog andere banden afspringen, dat zal zoo licht niet gebeuren. Iemand kort van band houden, hem weinig vrijheid verleenen. Aan den band-liggen, van dieren en menschen.

Sluiten