Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEKELINGS, bijw.. — - Overvloedig, als eene beek stroomend. Het zweet liep hem bekelings af.

BEKENNEN, werkw., wederk.. = Erkennen. C. 't Was daar gansch veranderd als ik weerkwam; ik en bekende mij er niet meer.

Gewest, zegt V..

BEKEUZELEN. werkw., overg.. — Lichtjes bevuilen. K. ook bekoselen = squalore sive sordibus maculare. De borst van mijn hemd is bekeuzeld, ik ga een ander aandoen.

BEKHAAR, z. nw., o.. == Krulhaar, kroezelhaar.

BEKIJKEN, werkw., overg.. - Bezien. Veel bekijkens hebben , veel beziens.

— = Aanzien. Al is hij de dief niet, hij wordt er toch van iedereen voor bekeken.

Zoo ook bezien.

BEKKEN, z. nw., o.. = (Schipper) Kromgebaaide planken die van voren in het schip aan den steven uitloopen en langs de andere zijde aan het vlak eindigen.

BEKKEN, werkw., onov. (hebben). = Al schokkende , al snokkende bewegen. De vlieger bekt. De duiven bekken soms in het vliegen.

Soms wederkeerig.

BEKKEN, werkw., onov. (hebben). = Behagen, lusten. T. R. Gij zult dezen avond niet eten, zei de moeder ; maar dat bekte Janneken niet.

BEKKENEEL , z. nw., o.. = Kinnebakken.

D. geeft ook die beteekenis en zegt dat zij door misverstand ontstaan is.

BEKKES, z. nw., o.. — Z. Bakkes.

BEKLADDEREN, werkw., onov.. = Bekladden. C. T. R. Een blad papier bekladderen.

BEKLAPPEN, werkw., wederk.. = (Al schertsende) Biechten. Ik ga mij beklappen.

— overg.. = Belasteren , in iemands nadeel spreken. C. T. R. K. dijfamare. De braafste menschen worden al eens beklapt.

BEKLAU(WE)N, werkw., overg.. Overspannen , mesurer avec l'empait. Mijn marmel ligt te verre van den uwen, dat zult gij niet kunnen beklauwen.

Meer besparren.

BEKLETSEN, werkw., overg.. = Beslijken, bevuilen. D. T. Al mijn kleeren waren met slijk bekletst.

— = Bekleeden, beslaan, met een bijgedacht van vuilheid, nutteloosheid, enz,. S. T. Gansch de tafel staat met potten en pannen bekletst.

Spr. : Daar is toch maar een stal mee bekletst, van twee, man en vrouw b. v., die beiden niet deugen.

Ook : Daar is maar een stal mee bescheten.

— = Schuld laten staan. Die vrouw krijgt geen waren meer , zij "heeft al de winkels bekletst.

— wederk. = Zich bemoeien. Bekletst u met andermans zaken niet.

BEKLODDEREN, werkw., overg.. = Bevuilen, beslijken. C. Hij ging door de moor en beklodderde al zijn kleeren.

Bij C. beklatten.

BEKNIBBELEN, werkw., overg.. = Bedillen, critiquer. C. D. Iemand beknibbelen is heel gemakkelijk.

V. vertaalt het door nauw onderzoeken.

BEKNOKKELEN, BEKNOTTEBEN, BEKNUITEREN , werkw., overg.. -- Beknorren , bekijven. D. beknoteren, beknotteren, beknutteren en beknutteren. S. beknoteren, beknokkelen en beknutteren. Oude menschen beknotteren geern de jonge.

BEKOMMEN, werkw , onov. (zijn). = Bekomen. — Z. Wdb..

— = Vochtig, klam worden. Het brood zal in den kelder .bekommen. Dit hemd is te stijf gestreken, wij zullen het laten bekommen.

BEKOMMERING, z. nw., vr.. - Z. Wdb.

Spr. : Hoe meer beslommering, hoe meer bekommering.

BEKOMST, z. nw., vr.. = Verzadiging. V. Zijne bekomst hebben.

BEKOMSEL , z. nw., o.. — Z. Bekaamsel. C.

BEKOMSELD. bijv. nw.. — Z. Bekaamseld.

BEKONSEL, z. nw., o.. — Z. Bekaamsel.

BEKONSELD , bijv. nw.. — Z. Bekaamseld.

BEKRAMMEN. werkw., overg.. — (Dijkw.) Eenen dijk bekramnun is hem met gevlochten stroo beleggen tegen het beschadigen van het water. V.

BEKROONEN, (scherpe <), werkw., overg.. Bekronen.

BEKRUIPEN, werkw., overg.. — Als iemand drinkt en tot het gezelschap zegt : op uw gezondheid, antwoordt er soms een : wel bekruipt 't u , voor wel bekome 't u.

BEKSALA DE), z. nw., vr.. = (Kruidk.) Leontodon autumnalis, fam. Comp..

BEKS(CH), bijv. nw.. — (Vogel) Beksche duif, soort van groote huisduif, met dikken bek, hoogen neus, zwaar lijf en scherpe vleugels.

BEKTANG, z. nw., vr.. = (Smid) Tang waarvan de twee nijpers rechtstaan en malkander raken. C.

BEKUIS(CH'EN, werkw., overg.. = Bedrijven, begaan, misdoen. De jongen had weer iets bekuischt en zijn moeder nam hem eens goed onder de handen.

BEKWAAM, bijv. nw.. = Geschikt om verkocht of geslacht te worden, van beesten gezeid. Daar zit maar éen konijn dat bekwaam is, de andere zijn nog te mager.

BEK(W)A(DE), bijv. nw.. — Bekwade kant, slechte kant.

Sluiten