Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEKWAMIGHEID, z. nw., vr.. = Bekwaamheid.

BEL. z. nw., vr.. BELLEKEN , z. nw., o.. = Oorbel. C. De boerin heeft op kermis heur gouden bellen in.

Gewest, bij V..

— meest in 't meerv., bellen = Bloempaksken van hop en haver. C. D. S. De haver staat in de bellen.

Gewest, zegt V..

BELABBEREN, werkw., overg.. = Bevuilen. D. S. K. inquinare. Dat kind heeft hem belabberd met pap te eten.

Z. Verdam.

BELANDERKOOI, z. nw., vr.. — Z. Balunderkooi.

BELANGE, bijw.. Z. Verdam.

Z. Ballange.

— Dorp van

BELCEEL (zachte <), z. nw.,

't Land van Waas.

Spr. ; Borsten van 'I lachen gelijk de klok van Belceel. geweldig lachen.

BELCELENEER (zware e), z. nw., m.. = Inwoner van Belcele.

Spotverskens op de Belcelenaars : De Belceleneren zullen huider nie laten foppen, Want zij lappen zelf hun klokken.

Als hun klok geborsten is,

Zijn zij aan 't lappen zonder remies.

Ik zeg het bont en kleer :

Een klokkenlapper is ieder Belceleneer.

BELEE(DEjN , werkw., overg.. = Beleiden , overleggen en besturen. D. Hij weet zijn zaken goed te beleeden.

BELEEFDHEID , z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Ik ken uw beleefdheid, laat uw muts maar staan, ge moet u niet verontschuldigen.

BELEG, z. nw., o.. = (Kleermak.) Deel des vrouwenkleeds dat over de schouders komt. K. instita.

— = (Timmerm.) Al de beleglatten of belegplanken te zamen , die op een opgelegd venster , eene deur enz. aangebracht zijn, applique.

Ook belegsel.en beslag.

BELEGGEERDEKEN, z. nw., o.. — (Kleermak.) Geer gebruikt aari het schouderstuk langs den hals, om dezen wijder te maken.

BELEGGEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

— Het vlas belegt zijn land, er komt zooveel liggend vlas van als de akker groot is waar het op gegroeid is.

— = Beschuldigen, ten laste leggen. D. Iemand met een misdaad beleggen.

Z. Beleggen, 7 , bij Verdam.

BELEGLAT, z. nw., vr.. = (Timmerm.) Dun latje dat aan den buitenkant van een raam wordt genageld, om de stijlen een vasten stand tegen het metselwerk te verzekeren.

= (Dijkw.) Schop waarvan het blad voorzien is van een scherp ijzeren belegsel om gemakkelijk grond of zand te kunnen steken.

Ook beslagschop.

BELEGSEL, z. nw., o.. — Z. Beleg.

BELEMMEREN, werkw., onov. (zijn). — Met kleine wolkskens betrekken , van de lucht gezeid. K. ook belammeren =polIuere. De lucht is belemmerd.

BELEED . z nw., o.. — Beleid.

BELET. z. nw,, o.. — Bij het binnenkomen vraagt men veel; Is er geen belet ? Van binnen wordt dan dikwijls gezeid : Alles is van kant gezet.

BELETTEN, werkw., overg.. = Opmerken, bespeuren. C. D. S. Hebt gij niet belet hoe beschaamd hij was ?

— = Nauwkeurig bezien. C. S. Belet dien spreker eens als hij bij 't volk komt.

BELEZBN. werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Loopt naar de paters en laat u belezen, maakt u weg !

Ook loopt naar ie maan en plukt sterren en loopt raar de maan, ge zult veur de zonne thuis zijn.

BELFORT, z. nw., o.. = Wachttoren, beffroi. Er staat een draak op het belfort van Gent.

— = Klokkenstoel, gestoelte waar de klokken in hangen. C.

Z. belfroet, bij Verdam.

BELHAMEL, z. nw., m.. — Spotnaam op iemand die te luide spreekt of roept.

Spr. : Roepen gelijk een belhamel.

BELIEFTE , z. nw., vr.. = Believen, welgevallen , goedvinden. C. D. K. placitum. Handelt daarmee volgens beliefte.

Z. Verdam.

BELIEGEN, werkw., overg.. — Zijnen zak, zijn bors beliegen, minderen prijs zeggen dan men voor eene waar gegeven heeft. T. R.

BELIEVEN, - Z. Wdb..

— Wat belieft er u ? vraagt men in de winkels aan de binnenkomenden. C.

Spr. ; Als 't God belieft cn ie pot belieft, zal mijn moeder koeken bakken, om te zeggen dat iets waarschijnlijk niet gebeuren zal. Iets willen doen of 't God belieft ofte niet, of't mogelijk is of niet.

Ook blieven.

BELINGD , bijv nw.. = Gretig, nieuwsgierig. D. belangd en belengd. Zij is belingd om te weten hoe 'tmet heuren zeun gesteld is.

BELJAMIEN, z. nw., m.. — Z. Balzemien.

BELLADONA, z. nw., vr.. = (Kruidk.) Wolfskers, Atropa belladona , belladone officinale.

Ook schootie vrouw.

BELEGSCHOP, BELEGSCHUP, z. nw., vr.. BELLARMIEN, z. nw., m.. — Z. Balzemien.

Sluiten