Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BELLEBOOMKEN, z. nw., o. BELLEKENS, z. nw., o., meerv.. = (Kruidk.) Verscheidene soorten van Fuchsia, £am. Onagr. D. geeft flucia en klokke.

Ook klokskens.

BELLEMAN, z. nw., m.. = Omroeper, crieur public. C. S. R. K. prceco feralis.

Z. Verdam.

BELLEMIEN, z. nw., m.. — Z. Bahemien.

BELLEN, werkw.,onov.(/ï«ife»::).=In de belle staan. V. De haver belt.

Spr. : In 't bellen van de haver, zijn de mosselen best.

BELLO (zachte o met klemt.), z. nw., vr.. = Isabella.

BELOFTE , z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Belofte is schuld en die ze niet volbrengt, krijgt 'nen bult.

BELOMMEREN , werkw., overg.. — Z. Wdb..

— (zijn) tusschenv. = Met kleine wolkskens betrekken. De lucht is belommerd.

BELOOP, z. nw., o.. — Plaats bestemd om beloopen te worden. D. Het veulen heeft op den boomgaard een schoon beloop.

— = Hof, achteruit, cour. Aan dat huis is maar een klein beloop.

— = (Dijkw.) Oppervlakte en kubiek van het te maken werk. Het beloop is gewoonlijk met paaltjes afgeteekend.

BELOOPEB, z. nw., m.. = Toezichter over de landen van eenen heer. De belooper beloopt de zaken van zijnen heer voor hetgene landen, boomen en bosschen aangaat.

BELOVEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Veel beloven en weinig geven doet de zotten in vreugde leven.

— Ik beloof het u, wees er zeker van. C. D. Ge zult u dat woord beklagen, ik beloof het u.

— wederk., met van en over. = Tevreden zijn, zich verblijden. se féliciter. C. D. K. contentum esse. Ik heb mij over dien jongen niet veel te beloven , hij is lui.

Z. Beloven, wederk., 2, bij Verdam.

BELS, z. nw., m.. = Belg. C. Jan de Bels heeft drij jaar in Frankrijk gewerkt,

BELS, z. nw.. m.. = Benjamien.

BELSAMIEN, z. nw., m.. — Z. Bahemien.

BELUIK, z. nw., o.. = Besloten ruimte. D. S. K. claiisum. -In het beluik van den hof.

BELUL, z. nw., o.. = Kennis. V.. Z. Balul.

BELZEMIEN, z. nw., m.. — Z. Balzemien.

BEMASSiCHJELEN, werkw., overg.. = Bevuilen, zwart maken. D. en S. bemasscheren. K. ook bemasschtren — maculare.

Spr. : Ge wordt niet bemasscheld als van 'nen zwarten pot, de slechten alleen zeggen kwaad.

Z. Bemasscheren, bij Verdam.

BEMERKING, z. nw., vr.. = Aanmerking, remarque, observation. D.

BEMESSEN, werkw., overg . = Bemesten

BEMINNEN , werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Een jongen die vader en moeder bemint, die is braaf voor vrouw en kind.

BEMOREN, werkw., overg.. = Bemodderen, beslijken. D. ook bemooren, bemoozen en bemozen. S. ook bemooren, bemozen en bemoozen. K. ook bemooren en bemosen — maculare luto. Kind, ge bemoort u heel en gansch met door die vuile straat te loopen.

BEN , z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Soms ook bende. Een bende haring.

— = Ondiepe mande die tot scheel dient aan de bagge der vischleurders.

— = Lange kribbe der schapen langs den stal. S.

Spr. : Aan de ben zitten, eten, van menschen gezeid.

BENAAR, bijw.. = Bijna, bijkans. D. De steen viel benaar op zijnen kop.

Ook bijnaar.

BENADEELIGEN . werkw , overg.. = Benadeelen. Iemand in zijnen goeden naam benadeeligen.

BENAU(W)D, bijv. nw.. — Bevreesd, bang.

Spr. : Die niet benauwd is, krijgt ook slagen. Benauwd zijn van zijn eigen schaduwe. 't Is beter een benauwde Geeraard als etn doode, zei de knecht, en hij ging loopen van 'nen tronk, al lachende, wanneer men voor een gevaar wegvlucht.

BENAU(WDE RIK, z. nw., m.. : Bloodaard. C. D. S.

BENAU(W)DHEID, z. nw., vr.. = Vrees, schrik. Die benauwdheid heb ik gekregen sedert dat ik van het dak gevallen ben. Er kwam een vreemde man in huis, en het kind riep van benauwdheid.

BENAU'WLIJK , bijv. nw. en bijw . = Verveerlijk, schrikverwekkend. Benauwlijk roepen.

— = Gevaarlijk. Op de daken werken is benauwlijk. C. D. S. 't Is veel te benauwlijk met zulken harden wind te gaan varen. Een benauwlijke weg.

BENAÜlWiSCHEET, z. nw., vr., BENAUiW)SCHIJTER , z. nw., m.. = Kleinmoedige, vreesachtige.

BENAUWSCHIJTER , z. nw., m.. — Z. Benauwscheet.

BEND, z. nw., m.. = (Kleermak.) Baan, breedte van de geweven stof. D. Men heeft soms drij en vier benden noodig voor een kleed.

— = (Bakker) Ieder der zes afdeelingen van den buidel.

Ook bende.

Sluiten