Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BENDE , z. nw., vr.

■ Z. Ben en Bend.

BENDEL, z. nw., m.. =(Dijkw.) Geteerde zakkeband , zeer sterk, voor waterwerken aangewend.

BENDIG, bijv. nw. en bijw.. — Z. Behendig. D. S.

BENDIGHEID . z. nw., vr.. — Z. Behendigheid.

BENE DENlPLAATS , z. nw., vr.. ±= Vertrek, kamer op het gelijkvloers. C. D. Wij hebben in ons huis vier benedenplaatsen.

BENEDICTIE, z. nw., vr.. = Zegen. Z. Wdb..

Spr. : 't Is een benedictie, dikwijls spottend gezeid op een ongeluk , eenen tegenslag.

BENEFFENST, voorz.. = Benevens. Tienduizend frank vooruit en dan nog deelen beneffenst de anderen : 't is een schoone koek.

BENEMEN, werkw., overg.. = Beslaan, beklee-

den. C D. Die kas beneemt te veel plaats.

BENENNIG , bijv. nw.. = Neerstig, vinnig. Hij is zeer benennig in 't werken.

• Gep. woord. : vinnig en benennig, rap , neerstig.

BENIBBELD , bijv. nw.. = Begeerig , bijzonder genegen. Ge moogt zoo benibbeld niet zijn om het nieuws te weten.

BEN IJ DEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : 't Is beter beneden (soms benijd) als beklaagd. Niet hebben doet benijden. De hongerige benijdt den verzaden.

BENJAMIEN, z. nw., m.. — Z. Balsemien

BENNIG, bijv. en bijw., — Z. Benhendig.

BENNIGHEID, z. nw., vr.. — Z Behendigheid.

BENT , z. nw., m. BENTGA(R S , z. nw., o.. = (Kruidk.) Decltampsia (aïra) flexuosa, fam. Gram..

Ook hazegars en kwajongen.

BENTGOED, z. nw., o.. = (Boer) Slechte halmen, halmen die bijkans geene aren hebben. Ge zult niet veel moeten dorschen, de helft van uwen akker is bentgoed.

BEPAMPELEN. werkw., overg.. = Overtasten en zoo, soms bevuilen , beschadigen. S. Gij hebt dat papier te veel bepampeld.

BEPEIZEN, werkw., wederk.. = Door peinzen van gedacht veranderen. C. D. Hij zei ik vertrek , maar hij bepeinsde hem en bleef.

Z. Bepenzen, 7, bij Verdam.

BEPLAASTEREN, werkw., overg.. = Bepleisteren. C. Een muur beplaasteren.

— ; Bevuilen. C. Gij hebt met uw poteerde heel de tafel beplaasterd.

BEPLAKKEN, werkw., overg.. = (Metser) Berapen , crêpir. Een muur beplakken.

Ook bestrijken, bezetten, kaleien en louteren.

BEPLEKKEN, werkw., overg.. = Bevlekken. C. K. macu'are.

Gewest, zegt V..

BERAAD , z. nw., o.. — Z. Wdb..

— In beraad staan , overwegen of men iets zal doen of laten. C.

BERBEL, z. nw., m.. — Z. Barbelhen.

BERD, z. nw., m.. — Z. Bard.

BERDEN, bijv. nw.. —Z. Barden.

BERECHTDOEK , z. nw., m.. = Doek dien men op het tafelken spreidt waar het H. Sakrament, onder de berechting , op rusten zal.

BERECHTINGBOiR)S, z. nw., vr.. = Eene beurs van kostelijke stof waarin de priester de heilige Olie en het H. Sacrament naar de zieken draagt. D. S.

BEREDEND, bijv. nw. = Welsprekend. D. K. eloquens, Een beredend man.

BEREGEREN, werkw., overg.. = Beregenen. C.

BEREN, werkw., overg.. = Met beer bemesten C. D. T. 't Is best het land te bèren als het geregend heeft.

BEREN (zware e),werkw., onov. (hebben). = Huilen, tieren. K. barren, beren , sublate et ferociter claniare more ursorum. De wilde jongens beren langs de straat.

BERENDE (zware e). bijv. nw.. — Berende vrouw. Z. Barende.

BERE(N)KLAUW, z. nw., vr.. = (Tritsspel) Drie zessen.

BEREiNjMOS (zware (), z. nw., 0..= (Kruidk.) Polytrichum vtdgare, fam. Bryac..

BERENTAND, z. nw., m.. = (Schipp.) Kleine bollaart van voren op 't schip , waar de touw aan vast is als het anker boven is.

BEREiN)VLEESCH, z. nw., o.. - Z. Wdb..

Spr. : Hij heeft berenvleesch geeten, hij is zeer gram.

BERG, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Den berg afgaan, achteruitgaan in den handel, in de gezondheid, oud worden. Bergen ontmoeten malkander niet, maar menschen wel, ik zal wel gelegenheid vinden om mij te wreken. Nevens den berg is het dal, hoog klimmen, diep vallen.

— = Berg van bermhertigheid , pandhuis, mont de pie'té. Een kleed naar den berg dragen.

— = (Kinderspel) Groote kring waar de kinderen hunne non in doen draaien. De non die, als ze uitscheidt van draaien, niet buiten den berg komt, moet er blijven in liggen, totdat ze door de andere spelers er uit gekampt wordt.

— = (Kinderspel) Ruimte tusschen de twee lijnen die de kinderen trekken als zij katje spelen.

BERGEN, werkw., gelijkvl. onov.. (hebben). = Klimmen, stijgen. S. De weg langs hier bergt zooveel niet : hij is gemakkelijker voor oude menschen .

Z. Bergen , i°, bij Verdam.

Sluiten