Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BETEUTEREN. werkw., overg. = Bekuischen, uitsteken, iets doen wat niet wel is. Kapoen, ge hebt daar weer iets beteuterd.

BETHLEËM, z. nw., o, — Z. Wdb..

Spr. : Naar Bethleemgaan , gaan slapen.

BETIJ, bijw .— Gegroeid uit bij tij. Z. Tij.

BETIJEN, werkw , onov (hebben). —Z. Wdb.

Spr. : Den slachter met het verken laten betijen , als eene zaak niet wel vooruitgaat, er van doorgaan en de anderen in den steek laten.

— Z. Bedijen. Eurzakkerij, zeggen de kinderen, betijt niet.

BETIKKEREN (soms ie kort), werkw., overg — Met tikskens, kleine vlekskens bedekken. C.en D. en S. betikkelen. Hij heeft heel mijnen rug met krijt betikkerd.

BETINGELEN, werkw., overg — Met netels steken. D.

Spr. : Loopen gelijk een betingelde kat, onrustig, heen en weder.

BETIPPELD, bijv. nw. en bijw. Beteuterd, onthutst. Als hij hoorde dat zijn vader naar hem zocht, liep hij betippeld naar huis.

BETITTELD ■ bijv. nw. Geneg'en , getrokken. Betitteld zijn om met messen te spelen.

Bij C. betinteld.

BETITTEREN , (soms ic kort), werkw., overg.. — Z. Betikkeren.

BETOEPEN , werkw., overg. Foppen, beetnemen. Die man is slim, ze zullen hem nog zoo gauw niet betoepen. S.

BETOEPER. z. nw., m = I'"opper, bedrieger.

BETOOG, z. nw., o. = Bewijsstuk. K. Ik heb hem betaald, maar ik heb er geen betoog van.

Ook betoon.

Z. Verdam.

BETOON, z. nw., o.. — Z. Betoog. IC.

Z. Verdam.

BETRACHTEN, werkw., overg. Trachten, haken naar. C. D. S. Die te veel betracht, wordt altijd in zijn verwachting bedrogen.

BETRAMPELEN, werkw., overg = Betrappelen. C. D. S. De koeien betrampelden al wat er op het gars lag.

BETRAPELIJK, bijv. nw — Betrappelijk, besmettelijk. D. De typhus is een betrapelijke ziekte.

BETRAPELING, z. nw., m . = Onwettig kind.

Ook bezijdeling, waterscheut en zijvogel.

BETRAPEN , werkw., overg.. = Betrappen , verrassen, grijpen. B. K. deprehendere aliquem in actu. Hij was bezig met rapen te stelen, ze hebben hem op heeterdaad betraapt.

— Verkrijgen, bekomen, opdoen. Hij meende er

geld te krijgen en heeft niet anders betraapt als wat slagen op zijnen rug.

Spr. ; Een vliegende kraai beiraapt meer als een zittende, de luie , de werkelooze bekomt niets.

— = Besmet worden van eene ziekte of van eene vuiligheid. D. Ik heb die ziekte betraapt met in de koude te zitten. Luizen betrapen.

Z. Veidam.

BETREK, z. nw., o. = Opzicht. Onder betrek van praten, heeft hij zijnen meester niet.

BETREKKEN, werkw., overg.. — Z. Beritsen.

— = Vóór het gerecht brengen. K. betrecken in recht — in jus vocare. Als gij die boomen van veur ons deur niet wegdoet, zal ik u betrekken.

Z. Betrecken, 8), bij Verdam.

BETREPELEN, werkw., overg.. = Betrappelen. S. Het land betrepelen.

Ook betrippelen.

BETRIPPELEN, werkw., overg.. — Z. Betrepelen. S.

BETROTJ\WE)N, werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Betrouwt er u op , zei de Sint-Huibrechtsman , en hij liep met zijn kraam weg, al lachende, om te zeggen : ge moogt er niet te veel betrouwen in hebben. Betrouwen is 't al, zei de duivel, al ware-'t op een stuk van 'nen ouden koestal, en hij liep weg. Ge betrouwt u op 'nen gebroken stok, op iets of iemand waar geen steun van te verwachten is. Zijt getrouw, maar beUouwt niemand.

BETROUiWEN, werkw., overg.. Door een huwelijk verkrijgen. T. R. Een groot fortuun betrouwen.

BEU, bijv., nw . — Z. Wdb..

Spr. : Iets beu, zijn gelijk konden pap. Die zijn affairen klapt, is ze beu. Zijn leven beu zijn, buitensporigheden of gevaarlijke werken verrichten.

BEUGEL, z. nw., m.. = (Vinker) Ieder der gebogen wisschen die over den steekvogel steken, opdat de netten er niet zouden op vallen.

— = Ieder der gebogen banden die op de karre steken om de huif te dragen.

— = (Smid) IJzeren schakel waar een draainagel in zit.

— - = (Vleeschh.) Houten openzetter.

Z. Openzetter.

— = (Timmerman) Ieder der twee dwarslatten die de zaag spannen en mede tot handgrepen dienen. C.

— = (Schipper) Ijzer dat men gewoonlijk boven de zweerden plaatst om er de riemen in te leggen.

BEUK, z. nw., m . = (Kleermak.) Middenstuk van een hemd dat van boven tot onder den rug of het lijf bedekt. C. K. tunica sine manicis et collflri.

BEUL, z. nw., vr.. = (Boer) Zware ploeg, soms getrokken door vier peerden, om zeer diep en breed te rijden..

Sluiten