Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEZAATS, z. nw., vr.. — Z. Bazaats.

BEZABBEREN, werkw., overg.. = Door drank of vochtige spijs vuilmaken. K. maeulare. Het kind bezabbert zijn kleed dikwijls met pap.

V. vertaalt het door kwijlen over, op.

Ook bejabberen.

BEZEEKEN, werkw., overg.. = Bewateren, bepissen. C. T. en E. bezeiken. K. beseycken = commingere.

BEZEEUWD, bijv. nw.. = Nat van het zeewater. K. salo madefactus.

BEZEEVEREN, werkw., overg.. = Natmaken, van fijnen regen gezeid. Ge komt gansch bezeeverd naar huis, af4ieeft het maar een beetje geregend.

BEZEGEL, z. nw., m.. = Likhout. Fr. biseigle. C. D. S.

Ook boezegel.

BEZEN, werkw , overg.. — Bezigen. Jan laat mij uw pennemes eens bezen.

— Iemand bezen, iemand voor den aap houden, bespotten.

— U laten bezen, u leugens laten wijsmaken, u laten bespotten.

BEZENBOSCH, z. nw , m.. = Bessenstruik. C.

BEZENBROOlDjKEN, z. nw., o.. = Broodje met krenten in, dat nog zooveel als een gewone beziekoek weegt. Een beziebroodje wordt 'nen halven stuiver verkocht.

Ook boer ken.

BEZE!N)KOEK, m.. = Lang rond broodje met krenten in. C. Ze krijgen bij hunne pint bier twee mastellen en 'nen bezenkoek.

Spr. : Hij heeft er maar vier en 'nen bezenkoek, wordt gezeid van iemand die half zot is, die zijne vijf zinnen niet schijnt te hebben. Een gezicht trekken gelijk een bezenkoek, verbluft, aardig, zonderling.

Ook boterkoek en schramhoelie.

BEZELEER (zwaree), z. nw., m.. = Bezieboom S.

BEZEPELEN , werkw., overg.. = Zijpelend natmaken. De drup van de goot bezepelde mij.

— tusschenv. = Nat worden door het zijpelen. Ge bezepelt ; ga van onder de goot.

BEZET , bijv. nw.. — Een kaart is bezet, als er nog eene kleinere van denzelfden naam bij is. C. S.

BEZET, z. nw., o.. — Legaat. D K. hypotheca. De meid heeft een schoon bezet van heuren meester.

Zie beset, 6), bij Verdam.

Gewest. zegtV..

— = (Mandenmak.) Al de wisschen die rond de staken gevlochten zijn. De kim eener mand is het bezet onder den boord der mand.

BEZETEN, bijv. nw.. = Betooverd, sterk genegen. Hij is bezeten om's avonds op straat te loopen.

Dikwijls van den duvel bezeten.

BEZETENE, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr.: Huilen, razen, schreeuwen, stampen, tieren gelijk een bezetene.

BEZETIJZER. z. nw., o.. = (Metser) Plakspaan in ijzer dienende gewoonlijk om de muren te berapen.

BEZETSEL, z. nw., o.. = (Metser) Pleisterwerk.

• C. K. crusta.

— Het bezetsel is van mijn hand, zei een metser al lachende, sprekende van het vel.

BEZETTEN, werkw., overg.. — (Boer) Een koe bezetten, hare achterbillen met eene dikke laag potaarde bestrijken, 't Is bij de boeren gebruikt als middel tegen het strek. Z. Strek.

— (Mandenmaker) De manden bezetten, de eerste wisschen rond den bodem leggen na het oprechten.

— (Bieman) Den korf bezetten, met koemest en kalk bestrijken.

— (Schipper) Een touw bezetten , ze op de uiteinden met eene dunne koord omwinden, ten einde het uitvezelen te beletten.

— - : (Metser) Berapen. C. K. crustare. De muren bezetten.

— = Legateeren. D. Hij heeft zijn huis aan zijn nicht bezet.

Zie besetten , 9), bij Verdam.

BEZETTER, z. nw., m.. = (Metser) Beraper C. K. crustarius.

BEZETWERK, z. nw., o.. = (Metser) Beraapwerk.

BEZETWIS(CH), z. nw., vr.. ; (Mandenmaker) Sterke wisch dienende om het bezet te maken.

BEZEURD, bijv. nw.. = Lichtjes bevuild S. Omdat die stof wat bezeurd is, krijgt ge ze aan minderen prijs.

BEZIEN, werkw., overg.. — Z. Bekijken, 20.

— Zijn bcziens (en niet bezien) vi iets of iemand hebben, iets of iemand aandachtig bekijken. Veel of weinig beziens hebben , veel of weinig bezien worden. C.

BEZIG, bijv. nw.. — Met iets of iemand bezig zijn, er over bekommerd zijn. Jan is hier nog niet, al had hij gezeid gisteren te huis te komen, en ik ben daar altijd mee bezig.

BEZIJ(DE)LING, z. nw., m.. — Betrapeling.

BEZIJPELEN, werkw., overg.. — Z. Bezepelen.

BEZILVEREN , werkw., overg.. = Zeer duur betalen. C. S. R. Hij heeft een schoon huis gekocht, maar hij heeft het bezilverd.

BEZIN, z. nw., vr.. = Bazin, meesteres des huizes.

— = Weerdin uit eene herberg. C.

— Wordt, op den buiten, algemeen gebruikt om eene burgersvrouw of eene boerenvrouw aan te spreken of te benoemen. C.

Ook bozin.

Sluiten