Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BINNEN , werkw., overg.. = Binden.

(Wever) Nen band binnen, de verschillige koorden

van de onderste geterten aan de andere binden die wat hooger hangen.

BINNEN, voorz. en bijv.. — Z. Wdb.

= Over, voor het toekomende. C. K. Binnen twee

jaar, binnen een maand keer ik terug. Z. Verdam. 2).

— Te binnen, in het geheugen. C. Dat woord komt mij niet te binnen. Daar valt mij een goed gedacht te binnen.

— Binnen zijn, rijk zijn, van zijne renten kunnen leven. C. S. Hij erfde eenige duizenden franken van 'nen verren kozijn en zoo was hij binnen.

— Met binnen worden eene menigte samengestelde werkw. gemaakt. Wij geven enkel zulke die eenige verklaring noodig hebben.

BINNENBARREEL, z. nw, vr.. = Barreel op gemeente- en provinciebanen.

BINNENBELEGSEL, z. nw., o.. =(Timmerm.) Beleg langs den binnenkant eener raam of eener deur.

BINNENBIL , z. nw., vr.. = (Vleeschh.) Bil der beest langs den binnenkant.

Ook bovenbil.

Die van den buitenkant heet onderbil.

BINNENBRAKKEN, werkw , onov. (zijn). = Slordig binnenloopen, vuil in huis komen. Hij was nog maar eene halve uur weg of hij kwam weeral binnengebrakt zoo vuil als een hond.

BINNENBREKEN, werkw., onov. (zijn). — In¬

breken. C. D. R. De dieven braken binnen en stolen al 't geld.

BINNENDIJK, z. nw., m.. = Kleine dijk tusschen de Durme en den grooten dijk.

Ook dijkshen en zomerdijk.

— = Dijk van binnenpolders die aan de Schelde niet liggen.

BINNENDOEN , werkw., overg.. = Ergens doen ingaan. C. D. Hij wou op de straat blijven loopen, maar zijn moeder deed hem binnen. De koeien binnendoen.

— = Inhalen, binnendragen. C. D. Den wasch binnendoen.

BINNENDOUGEN, werkw., overg.. = Door duwen en stooten doen binnengaan. Een schip binnendougen (in de haven).

BINNENEIN, werkw., overg.. = Inhebben. geëten of gedronken hebben. Hij had al drij pinten binnen als ik nog aan mijn eerste was.

Ook binnenhebben en binnen/temmen.

BINNE(N)FLITTEREN, werkw., onov. (zijn).— Al vliegende en vluchtende binnengaan. De duif geraakte van tusschen mijn handen en flitterde binnen op het kot.

BINNE NjGEPIKT , bijv. nw., — BinnengepM

zijn, zijne schaapkens op het droog hebben, fortuin hebben, rijk zijn, voor de toekomst niet te vreezen hebben. Laat het maar dure tijd worden, gebuur, wij zijn binnengepikt.

BINNE(N)GERAKEN, werkw., onov. (zijn). = Eindigen met ergens binnen te komen , te varen, enz.. C. D. Hoe hij hier binnengeraakt is, weet ik niet. Door den danigen wind heeft hij alle moeite moeten inspannen om met zijne schuit binnen te geraken (in de haven).

BINNElNjGIETEN , werkw., overg.. = Drinken. In éenen trok een pint bier binnengieten.

BINNE(N)GOOIEN. werkw., overg.. = Naar binnen werpen. De klavers woest van de karre binnengooien.

Meer binnenrooien.

BINNENiH)EBBEN, werkw , overg.. — Z. Binnenein.

BINNEN(H)EMMEN, werkw., overg . — Z. Bmnenein.

BINNE(N JASSEN, werkw., overg.. = Binnenjagen. De jongen wilde wegloopen, maar de onderwijzer jaste hem binnen en hij moest blijven tot vijf uren.

BINNE(N;KADEISTEREN, werkw.. overg. =

Binnenjagen. De dronkaard stond te vloeken op de straat, maar de geburen hebben hem binnengekadeisterd.

BINNE(N KANS, z. nw., vr.. = Buitenkans, onverwacht geluk.

BINNEjN KEET, z. nw., vr.. = Keet aan de boerenwoning vast. Z. Keet.

BINNE(N)KLETSEN , werkw., overg.. Door slaan doen binnengaan. Als gij in huis niet wilt komen, zal ik u binnenkletsen.

Ook binnenslaan en binnenslagen.

BINNE NiKOTEREN, werkw., overg.. = Door koteren doen binnengaan.

BINNE'N KRIJGEN. =In 'tlijfkrijgen .opeten kunnen. Met de grootste moeite van de wereld krijg ik dat eten niet binnen.

= Binnengeleid , binnengebracht krijgen. C. Zij

konden den dronkaard niet binnenkrijgen. Zult ge vandaag uw hooi nog binnenkrijgen ?

BINNE NjLAPPEN, werkw., overg.. =--- Binnengieten, uitdrinken. Jan lapte twee druppels achtereen binnen.

BINNE N)LUI , z nw., vr.. = (Mulder) Deel der lui binnen in den meulen. Z. Lui.

BINNENMAZEN, werk., overg.. = Eten, al schertsende. Hij is niet weg te krijgen als hij voorziet dat hij iets zal kunnen binnenmazen.

Ook binnenmoezen.

Sluiten