Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BLAU(WE) MUUR. z. n»»., m.. (Kruidk.) Basterdmuur , Anagallis ccerulea , mouron bleu , fam. Primul..

BLAU(WE) PAFFERKENS. z. nw., o., meerv..

— Z. Blauwe klokken.

BLAUlWE) PIJPEN , z. nw., vr., meerv.. — Z. Beiaard.

BLAUWE) REGEN. z. nw., m.. = (Kruidk.) Veronica azurea, vcronique bleue , fam. Scrophul.. Ook blauwe wijmkens en veroniekskens. — - - (Kruidk.) Muscari comosum en M. plumosum, muscari chevelu , fam. Liliac..

Ook kapucienenbaard.

BLAU( WE) SPINNEN , z. nw., vr., meerv.. = (Kruidk.) Jufferken in 't groen , Nigella Damascena, nigelle de Damas, fam. Ranun. D. vertaalt. N. Dam. door kot ben.

Ook blommekens in 't haar, damekens in 't haar, jufferkens in 't haar, mirdamekens en spinnekoppen.

BLAUiWE) VIOLET, z. nw., vr.. - (Kruidk.)

wuae vloot, viola patustrts, violette sauvage, tam. Violar..

Ook kantviolet, paddekauwkcns.

BLAU(WE) "WIJMKENS . z. nw., o., meerv..

— Z. Blauwe regen, i°.

BLiAU(W) GA(R S, z. nw., o.. = (Kruidk.) Festuca glauca , fam. Gramin..

BIjAU(WjGELD. z. nw., o.. = Achtergehouden geld.

BLAU(W)GESCHELPT. bijv. nw.. = Meer blauw dan zwart van kleur , van duiven gezeid. Een blauwgeschelpte duif.

Zeer dikwijls als m. en vr. z. nw. gebezigd. Zijn blauwgeschelpte was de eerste weer van de reis : ze vliegt bijzonder goed.

BLAUWIETAK (klemt op wie), z. nw., m.. (Vogel) Bastaardnachtegaal, Accentor modularis, accenteur mouchet. ,

Ook blauwe haagmusch, blauwe wintermusch, blauwietakker, haagmusch en pietjekool.

BLAU WIET AKKER (klemt, op wie), z. nw. m..

— Z. Blauwietak.

BLAUWKOP, z. nw., m.. (Vogel) Oude vink. — - - (Vogel) Blauwe mees. Z. Keersgat.

BLAL .lOKOPKEN • z. nw., o.. Aardappel waar blauwe puttekens in zijn.

Ook blauwoogsken en blauwputje.

BLAUlWlMAN, z. nw., m.. = Werkman die blauwverft.

BLAUWOOGSKEN. z. nw., o., altijd in 't meerv. gebezigd, blauwoogskens. — Z. Blauwkopken.

BLAU(W)PUTJE, z. nw., o., altijd in 't meerv. gebezigd, blauwputjes. — Z. Blauwkopken.

BLAU(W)ROODE) BLOM. z. nw., vr..

(Kruidk.) Vogelwikke, Vicia varia en villosa ;'vesce variée, vesce velue, fam. Papilion..

BLAUlW SELMAN. z. nw., m.. = Man die in de dorpen rondgaat om blauwsel te verkoopen.

Zoo ook blauwselvrouw.

BLAU(W) TREZEKEN, z. nw. o.. = (Kruidk.) Sterrekruid, Asterfloribundus, fam. Compos..

Ook andere asters met blauwachtige bloemen. D. heet Ast. capensis abeelenbladjes.

BLAUWWITZWING, z. nw., vr.. Blauwe duif die in eenen harer vleugels eenige witte pennen heeft.

BLAZEN , werkw., onov. (hebben). — Z. Wdb..

Spr. : Het vuur blaast, er is nieuws. Van toeten noch blazen weten, van niets, 't Is beter geblazen als den mond verbrand. Het zal wel koelen zonder blazen, het zal vanzelf bedaren. Het koolken blazen, het gelag betalen. Blazen gelijk een kat, zeer gram zijn.

— Liegen. C. D. Ge blaast, ik geloof u niet.

— = -- (Kleermak.) Oneffen liggen, poefen, van stoffen en kleederen gezeid.

Ook boef en, borzen, opblazen, opboefen en opborzen.

BLAZER. z. nw., m.. = Die den blaasbalg van het kerkorgel beweegt.

BLAZERUS, z. nw., m.. = Huiduitslag die óf eene korst óf vooral blazen maakt, zooals eczema, pemphigus, ecthyma.

Ook blazius en lazarus.

BLAZIUS. z. nw., m.. — Z. Blazerus..

BLAZOEN, z. nw., o.. = (Doelschieting) Vierkant papier, bespannen met ringen waar cijfers instaan naar welke men schiet. C. R.

— = (Bolspel) Vierkant papier beschilderd met cijfers waar men naar bolt.

BLAZOENBOLLING. z. nw., vr.. Bolling naar het blazoen.

BLAZOENSCHIETING. z. nw., vr.. - --Schieting naar het blazoen.

BLEDDE. z. nw., vr.. ; (Smid) Platte ijzeren strook met ingedrilde gaatjes, die men gebruikt om timmerwerk te verbirfden of te versterken.

Bij C. blei en biet.

BLEEK (scherpe e) z. nw., m., (niet vr.). — Z. Wdb.. Het gewasschen goed ligt op den bleek.

— = Daad van bleeken. D. Ik ben in mijnen bleek.

— = Lijnwaad dat te bleeken ligt. D.

BLEEK, bijv. nw.. — Z. Wdb..

Vergelijk : Zoo bleek als de dood, als een lijk, als de bleeke dood van Ieperen, als de heilige eerde.

BLEEKEN. werkw. overg.. — Z. Blikken.

BLEEKERSHOND, z. nw., m.. Hond die eene bleekerij bewaakt.

Spr. : Uitschieten gelijk eenbleekershond, zeer gram zijn en luide roepen.

Sluiten