Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BLEEKGOED , z. nw., o.. -- (Pottenbakk.) Pot- f ten die te weinig gebakken zijn en er dus bleek uitzien.

BLEEKSCHIJTER, z. nw., m.. Iemand met een bleek gezicht. C. R.

Soms ook bleeke schijter.

BLEIN. z. nw., vr.. - Hobbel in het vel, voortkomendevan te groote drukking. C. D. K, pustula.

Z. Verdam.

Spr. : Van de blein gelezen worden , bekeven worden.

— = (Smid) Blaas, slechte plaats in het ijzer.

BLEINROOS (scherpe o), z. nw., vr.. Belroos, erysipèlephlyctenoïde. C. S. T.

BLEINVIJT. z. nw., vr. Soort van zachte vijt, panaris érysipélateux.

Ook blom en tlomvijt.

BLEISTER, z. nw., m.. - Glans, schittering, heldere kleur. Veur mijn kleeren houd ik van den bleister niet. Wat wilt ge alzoo 'nen bleister van een kleed dragen ?

Gep. w. : llei'ster en Haai, ijdele glans, beslag;

— veel menschen zijn gediend met bleister eu blaai ; ze hangen bleister en blaai uit, maar er zit geen geld achter. Bleisteren gleister', — des morgens in den Winter zijn de muren van ons huis éen bleister en gleister. Bliek en bleister , kleine visch ;

— ik heb geenen visch gekocht, er was niets dat deugde , 't was allemaal bliek en bleister.

— = Gemeen volk. Daar was in de zaal niemand van den hoogen stand, enkel wat bleister van volk.

BLEISTERACHTIG, bijv. nw.. Helder, schitterend. Ik houd niet van dat kleed, het is te bleisterachtig.

BLEISTEREN, werkw.. onov.. — Schitteren, blinken, meest altijd van kleuren. Kleuren die bleisteren, worden doer de boeren gezocht.

Bij D. blaaistercn, schitterend branden.

Z. Verdam

BLEND, bijv. nw.. — Blind, dat ook gebezigd wordt. C. D. K.

Spr. : A Is iemand blend wordt, zit het in zijn oogen eerst, van de liefde gezeid. Zoo blend als een mol. Waar naartoe met dat blend peerd? wat gaan wij in die onzekerheid doen ?

— Blend huis, onbewoond huis.

— Blende halkoen. Kinderspel dat zoo gespeeld wordt:

Piet wil geblinddoekt worden. De spelers staan in eenen kring rond hem en zeggen hem : zoekt naalden, en Piet antwoordt al tastende op den grond : ik kan niet vinden. De spelers zeggen : zoekt spelden, nogmaals zelfde gebaar en antwoord van Piet. Voor de derde maal roepen de spelers : zoekt menschenvleesch ; zij geven elkander de hand en gaan rond. Piet, met de armen wijd open, gaat op zoek. Hij neemt eenen jongen

vast , voelt zijn haar, zijne ooren , zijnen neus, zijne handen, enz., want hij moet dezes naam raden, anders is hij verloren, 't Geluk dient, 't is juist Jozef, dien hij vastheeft. Jozef wordt nu de blende kalkoen en Piet neemt Jozefs plaats in.

Ook blende kallemoe en blende kalmoes,

— Blend ei slagen. Dit spel wordt veel gespeeld met bedorven eiers, vandaar zijn naam.

Op het schoolhof doet men het met marmels. Men zet juist zooveel marmels op eene rij als er leerlingen zijn. Vier slappen van de marmels maakt men eene lijn, men telt af wie er eerst mag spelen.

Hij die moet slaan, gaat op de meet staan en wordt geblind met eenen zakdoek. Men geeft hem eenen stok in handen, waarna men hem drijmaal ronddraaien doet. Dan laat men hem gaan langs waar hij denkt goed te zijn ; na vier stappen gedaan te hebben, slaat hij met den stok, de marmel dien hij raakt, is voor hem. Zoo doen al de spelers totdat er geene marbels meer overschieten. Alsdan zêt men andere in en het spel herbegint.

— = Onzeker, vergeefsch. 't Is hier een blend zoeken in die donkere kamer.

Z. Verdam.

BLENDDOEKEN. werkw., overg., onsch. — Blinddoeken.

BLENDE, z. nw., m.. Blinde.

Spr.: Naar iets slaan gelijk de blende naar het ei, zonder overleg raden of antwoorden.

— Met 'nen blende spelen, met drijen kaarten, terwijl het deel van den vierde gedekt blijft of gespeeld wordt door eenen der drij. C.

BLENDEN, z. nw., vr., enkelv. blende. — Planken die men langs weerskanten van de doelschieting plaatst om de baan af te sluiten. C.

Ook doelblenden.

— enkelv. = Binnenluik.

BLENDEN, werkw., overg.. - Blinden,

— U blenden, in het spel piepkenduik, is uw hoofd tegen eenen muur of eenen paal leggen, om niet te kunnen zien waar de gezellen zich verbergen. Gewoonlijk roept de kat dan : tien, twintig.... honderd. Tien, tien, dobbele tien : al die niet gedoken is, zal ik blak zien. Ik hoor, ik zie en ik kom ! Is 't gedaan ? of is 't al ?

BLES, z. nw., vr.. = Kleine haarlok op het kale hoofd. De H. Petrus wordt gemeenliik verbeeld met een bles op het hoofd.

BLEZE, z. nw., vr.. = Tak van het sloorzaad met de peulen er op.

Ook bessem van 't sloorzaad.

BLIEK , z. nw., m., (niet vr.). — Z. Wdb..

Spr. : Een blieksken uitrooien om een snoeksken te vangen , iets kleins geven om iets groots te bekomen. Zoo gezond als een bliek.

BLIEVEN, werkw., onov. (hebben). — Uit believen. D. Wa bliet ou, zeggen de boeren.

Sluiten