Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BLOKOVEN, z. n\v\, m . = (Blokkenm.) Wijde schouw dienende om de blokken te berooken , ten einde hun eene lichtgele kleur te geven.

BLOKSCHAVEN, werkw., overg., onsch.. (Timmerm.) Met de blokschaaf werken.

BLOKSCHILDER, z. nw., m,. = (Schipp.) Schoone schuit met ronden kop waarvan het achteronder tot paviljoen dient.

— = (Blokkenm.) Werkman die de klompen verft.

BLOKSCHREPER, z. nw., m, = (Blokkenm.) Werkman die met glas de klompen fijnschrapt.

BLOKSKEN, z. nw., o., meest in 't meerv.. = (Timmerm.) Klein vierkant bewerkt stuksken hout dienende tot versiering aan eene kornis, denticule.

BLOKSNIJDER, z. nw.. m.. = (Blokkenm.) Werkman die de klompen in 't fijn snijdt als ze uitgehold zijn.

BLOKSTAL, z.'nw., m.. (Blokkenm.) Werkplaats der klompenmakers.

BLOM, z. nw., vr.. - Bloem. C. D.

Spr. : De blom uit de zee, zeggen en roepen de mosselmans om hunne waar te loven., 't Geld is de blom en die geen heeft, die treurt of zucht er om , met het geld doet men alles en ieder begeert het. Iemand blommen op zijn mouw spelden , hem wat wijsmaken. Een kind zonder moeder is een blom zonder steel.

Raadsel op den meulen :

Een holle tronk Waar Winter en Zomer blom op komt.

Raadsel op de ijsbloemen der ruilen :

Blommen Die 's Winters kommen

En 's Zomers vergaan

Kunde mij wijzen waar zij staan ?

— = Koe met vlekken op de huid. K. vacca maculosa.

— (Vleeschhouwer) Blommen snijden, voor het fatsoen kleine snedekens in het blad maken. Z. Blad.

— = Bloesem van fruitboomen en bloemendragende houtgewassen. C. Daar is dit jaar weinig blom op de fruitboomen.

— In de blom komen, beginnen te bloeien. C. In de blom staan, bloeien. C.

Z. Verdam, 3).

— Z. Bleinvijt.

BLOMDOOREN, z. nw. m.. = (Kruidk.) Hagedoorn, Cratcegus oxyacantha , aubepine commune, fam. Pom..

Men noemt zoo ook den cratoegus met roode bloemen.

Ook doorenleer.

BLOMKUIP, z. nw., vr.. de bloem in bewaard wordt.

(Bakk ) Kuip waar

BLOMHOF, z. nw., m.. = Bloemhof.

Vergel. : Een hoed gelijk een blomhof, met veel bloemen versierd.

— = Vrouwenkleed welks stof vol bloemen is.

BLOMGROND, z. nw., m.. = Grond goed geschikt om bloemen te kweeken.

BLOMMEKEN, z. nw., o.. — Kleine bloem.

Spr. : Daar verdient hij een blommeken veur, daar dient hij om geloofd. Iemand een blommeken geven, prijzen, loven. Dat is een blommeken op uw mouw, dat strekt u tot eer.

— Komt voor in 't raadsel op vlas , bie en druivelaar :

Het schoonste blommeken plukt men niet, Het schoonste beestje schiet men niet, Het schoonste hout en zaagt men niet En, 't is waarachtig waar ,

't Komt alle dagen op Gods altaar.

— = Witte aardappel met blauwe putjes. Hij meelt veel en is licht om eten.

Ook trutpatat.

— Blommekens zetten. Kinderspel. Ieder der gezellen moet overhand zijne non uitzetten. Terwijl zij draait, kappen al de anderen er naar om haar muk.cn, peuken of proepen (prik van de pin in het nonhout) te zetten.

— = Figuurtjes die in de stof gewerkt of er op geverfd zijn en eenigszins op eene bloem gelijken. C. Een kleed met een rood blommeken.

Bij T. en R. bloemeken.

BLOMMEKEN BEKIJKT MIJ WEL, z. nw., o.. — Z. Allangsom liever.

BLOMMEKEN BEMINT MIJ. z. nw., o.. (Kruidk.) Sedum telephium , herbe a la coupure , herbe d la Saint-Jean, fam. Crassul.. D. heet die bloem dodding, geneeskruid, woniehruid.

Ook omgekeerde wereld, verkeerde wereld en Sint-Janskruid.

BLOMMEKENS IN T HAAR. z. nw., o. meerv.. — Z. Blauwe spinnen.

BLOMMEN, werkw., onov. {hebben). Melen, openvallen, sprekende van gekookte aardappels. C. D. S. De witte patatten blommen meer als de roode.

— = Bloeien, bloeisel krijgen. C. K. bloemen = florescere. De peerlaars beginnen al te blommen.

Bij R. bloemen.

Spr. : Ik zie ze blommen , ik heb grooten honger.

Ook ik zie ze vliegen.

BLOMMENDE HOFVITS, z. nw., vr.. = (Kruidk.) Orobus atropurpureus, orbe pourpre, fam. Papillon..

Waarschijnlijk ook de medesoorten.

BLOMME N ZOT, z. nw. ber van bloemen. C.

m..= Groote liefheb-

BLOMMIG, bijv. nw.. Blozend, bloeiend van gezondheid. C. Een blommig meisken.

BLOMPATAT. z. nw., bloemt als hij gekookt is.

m.. = Aardappel die

Sluiten