Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BOEL, z. nw , m . = Bol, marmel, bij kinderen.

Spr. : Boelen krijgen, vermaand, berispt worden.

BOEL, z. nw., m.. = Boedel, al wat iemand bezit, have, meest al schertsende. Als ge mij niet betaalt, zal ik heel uwen boel doen verkoopen.

— = Slecht volk, gespuis. Gaat langs die straat niet, 't is allemaal boel dat daar woont.

BOELEN. werkw., onov. (hebben en zijn). - Bollen, rollen, bij kinderen. Mijn knikker boeide in de goot

BOEMELEN, werkw., onov. [hebben). —. Z. Boebelen.

BOENDERS EN BESSEM, z. nw., m., meerv..

= (Kruidk.) Sint-Jakobskruid, Senecio Jacobaa, jfacobee', fam. Compos..

D. heet die bloem popstaai, poepstaal, propstaal, soldatekruid.

— = (Kruidk.) Kruiskruid, Senecio vulgaris, senecon commun , fam. Comp.. D. heet die bloem, onder andere , sinksoem en vogelkruid.

Ook rotte hond, sinksenkruid en sinksom.

BOER. z. nw , m.. — Z. Wdb..

Spr. : '1 Is altijd op de boeren hunnen rug dat het regent, bij slecht weder. Dat kan 'nen boer ook veurvallen, iedereen kan missen. Laat de boeren nu maar dorschen. de zaak is gelukt, de zaken staan goed. Ge moet niet blazen, zei de boer, en hij goot een kom konden pap op zijn wijf, scherts. Waar 't heet is , moet geblazen worden, zei de boer, en hij liet wat vliegen op den heeten pap. Ge zoudt 'nen boer zijn kunst afvragen, ge zijt onbescheiden in uwe vragen Zijnen boer scheren, huilen en tieren, hevig te werke gaan, uitvaren tegen. Ge zoudt er 'nen boer mee van zijn peerd slagen , van een groot, dik stuk, dat men uit de hand eet. Zoo dom , zoo lomp als een boer. Naar iets zooveel vragen als een boer naar een kers, naar een gars, naar een stroo, er haast geene weerde aan hechten. Een boer en een boerin moeten hunnen stiel meedragen , moeten gekleed zijn naar hun werk. Die 'nen boer wilt bedriegen, moet 'nen boer meebrengen , moet zeer slim zijn. Daar zal Ons lieve Heer 'nen boer aan verliezen, op iemand die moeite heeft om de twee eindekens van 't jaar aaneen te knoopen. Er zijn vier soorten van boeren : boerenbuffels, boerenezels, ioerenbeesten en boerenmenschen. Uit boer spelt men vier woorden : beer, os, ezel, rekel.

— Bij den boer, bij de boeren , op den buiten. Bij den boer gaat men 's Winters vroeg slapen.

— = Onbeleefde mensch, lomperik.

— = Peer van gewone grootte , nogal lang en goed van smaak, die op veel boomgaarden groeit.

— Boer spelen, boer schieten, spel voor jongens.

Men trekt twee lijnen, op eenen afstand van 7 tot 8 meters. Op eene van de lijnen staat een hoopken halve steenen opeengestapeld ; en men schiet er naar met halve steenen.

Er wordt afgeteld of gekozen wie zijnen steen achter den stapel moet gaan leggen, en er bij moet blijven. De bewaker van den stapel heet boer.

A schiet naar den stapel en werpt hem niet omver.

B, C, D, E insgelijks ; die spelers moeten hunnen steen laten liggen, anders kunnen ze gekat worden door hem die achter den stapel staat.

Nu speelt de laatste en werpt de steenen omver : ieder speler neemt haastig zijnen steen op en loopt naar de andere meet terug.

Als de wachter nu rap genoeg zijn kan om de steenen weer opeen te zetten, zijnen steen te nemen en eenen te katten vóórdat hij aan de lijn is, dan is hij verlost en moet de gekatte in zijne plaats.

Nochtans, men moet niet altijd wachten totdat de steenhoop omver ligt, om zijn eigen steen te nemen ; als men ziet dat men intijds over de lijn zal kunnen loopen zonder door den boer gekat te worden , neemt men telkens de gelegenheid waar

Op sommige dorpen heet ook de steenhoop boer.

— Boer. Spel voor meisjes.

De kinderen dansen in eene ronde , in 't midden staat een meisken, de boer. De andere zingen : « Nu hebben wij eenen boer,

» Nu hebben wij eenen nieuwen kermisboer ! » Iksa , fifela , kermisboer ! (bis) De kinderen geven den boer eenen stoel : » Sa, boerken , nu 'nen stoel, » Sa, boerken, nu 'nen kermisstoel,

» Iksa, fifela , kermisstoel. (bis). » Sa , boerken , nu een vrouw, » Sa , boerken, nu een kermisvrouw !

» Iksa, fifela, kermisvrouw. (bis).

De boer neemt nu eene vrouw uit de ronde en zet ze bij zich aan den stoel, terwijl de andere zingen :

» Nu heeft de boer een vrouw » Nu heelt de boer een kermisvrouw !

» Iksa, fifela, kermisvrouw (bis). » Sa, boerken, nu een kind ! » Sa, boerken , nu een kermiskind,

1) Iksa, fifela, kermiskind (bis).

Hij kiest een kind uit de ronde en brengt het te midden.

Nu zingen ze weer :

» Nu heeft de boer een kind ,

» Nu heeft de boer een kermiskind.

De kinderen zingen zoo voort totdat de boer eenen knecht en eene meid heeft.

Dan zingen ze :

» Nu heeft de boer zijn volk,

» Nu heeft de boer zijn kermisvolk. »

BOEREN, werkw , onov. (hebben). — Z. Wdb..

Spi. \ U op straat boeren, te gronde gaan, arm worden. Hij zal nog boeren dat het haar deur zijn muts zal groeien, dat hij arm zal zijn. Zoo niet geboerd ! zoo niet gehandeld, zoo moogt ge niet te werke gaan.

— = Rumoer maken, drinken en klinken. C. D. Zij hebben gisteren tot laat in den nacht in de herberg van Jan geboerd.

Zuidned. zegt V..

i5.

Sluiten