Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spel is af. De boom is jong, zegt men , als er langs weerskanten de vier of vijf meten nog staan. = (In het tritsen) Negen lijnen die bij drijen gescheiden zijn.

— (Schipper) = Lange zware stok waar men het schip mede van kant steekt en waar men, in de binnenwateren , het schip mee vooruitduwt bij stil weder.

— De boom wordt al langsom dikker. Kinderspel. Veel spelers geven malkander eene hand. De voorste is de grootste, hij steekt den arm omhoog en al de andere winden rond hem , gelijk de draad rond eene spoel, al zingende : De boom die wordt al langsom dikker ! Wanneer ze nu allen rond hem staan, dan draaien zij in de tegenovergestelde richting van den eersten keer, al zingende :

De boom die wordt al langsom dunder !

— Boom staan , in sommige kinderspelen, staan zonder te roeren, wanneer er met den bal geworpen wordt.

BOOM (soms met scherpe, soms met zachte o), z. nw., m.. = Bodem. C. D.

Spr. Een kuip zonder boom, een groote dronkaard.

— = (Vleeschhouwer) Vleesch van den buik van hoorenbeesten en zwijnen.

Men onderscheidt den dikken boom, die tegen de naborst ligt, van den dunnen boom, die achter den dikken boom ligt.

BOOM, bijv., nw.. = Zonder gevoel, slee. K. boomighe tanden = dcntes stupidi. Mijn tanden zijn boom met al dat groen fruit te eten.

Ook voos.

BOOMEEBDE, z. nw., vr.. -- Boomaarde. De boomeerde is goed om bloemen op te zaaien.

BOOMEN, werkw., overg.. — (Meulen) Eenen steen boomen, den diepen pand van eenen steen scherpen. C.

BOOMIG, bijv. nw.. = Met diepen bewerkbaren bodem of grond. Boomige grond.

BOOMKLATTELING, z. nw., m . = Gesnoeide tak. Meest in 't meerv. gebezigd.

BOOMKLA.TTER, z. nw., m.. ■= Boomsnoeier. Ook klatter.

BOOMKLEFFEB, z. nw., m.. = (Vogel) Boomkruiper , Certhia familiaris, grimpereaufamilier. Ook boomklemmer, boomlooper, klefferkatje.

BOOMKLEMMER. BOOMLOOPER. z. nw., m.. — Z. Boomkleffer. C.

BOOMLEE(DE)R , z. nw., vr.. Boomladder. Ook fruitieeder

BOOMMUS(CH), z. nw., vr.. = (Vogel) Veldmusch , Passer montanus, moineau friquet. C. D. —

Ook panjonker, pannenmusch, steensche musch en steenmusch.

B

BOOMPLANK. z. nw,, vr.. — (Wagenmak.)

js Plank die deelmaakt van den bodem eener kar of eens wagens.

BOOMPUT , z. nw., m.. = (Boom) Put die overga blijft na het vellen van eenen boom.

Ie BOOMHEEP, z. nw., m.. = (Boom) Sterke reep :ü die gebezigd wordt bij het vellen van boomen.

eJ BOOMSCH, bijv. nw.. = Van Boom. De Boomsche steen.

is

ï- BOOMSCHEEiDE) (scherpe o), z. nw., vr.. =

'e (Wagenmak.) Ieder der riggels waar de planken

n bodem van het rijtuig zal op gelegd worden.

n In 't geraamte eener karre heeft men de boom-

n scheeden en de zijschieden.

BOOMSEL (scherpe o). z. nw., o.. = (Meulen) Groef tusschen de kerven van den gescherpten meulensteen.

— =" (Timmerm.) Gootlijst, larmier.

BOOMSPECHT, z. nw., m.. — Z. Bontspecht.

BOOMSTOK, z. nw., m.. = (Koperslager) IJzeren ^ hefboom, dienende vooral om ketels op te heffen.

BOOMVELDER, z. nw., m.. = Werkman die 3 boomen velt, boomhakker. D. S.

1 BOOMZAAG, z. nw., vr.. = Lange en breede zaag waar men de boomen mede in doelen of blokken zaagt.

i Ook kerfzaag.

BOOMZEEL, z. nw., o.. =-= (Wever) Zeel dat in den boom gesteken wordt om hem gemakkelijk te : doen draaien als de wever een stuk opboomt.

BOON. z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Dat gaat'vooruit gelijk boonen knoopen, zeer traag. Zijn boonen op iets te weeken leggen, op iets rekenen, in de hoop zijn van iets te verkrijgen. Hij kan boonen eten uit een pint en erwten uit een flesch, op iemand die zeer mager is. Hij heeft zijn witte boonen eerst geiten, hij was vroeger welstellend. In de boonen zitten, een ongerust geweten hebben, ètre scrupuleux. Zijn hert was waar een boontje groot, hij was zeer bevreesd.

— = (Steenbakk.) Potaarde die gansch op haar eigen, in strepen, in motjes ligt. De boon is de beste aarde. Men onderscheidt fijne loon, blauwe boon, witte boon en kwade boon. De fijne boon wordt met de steenaarde gemengeld. De blauwe boontjes liggen onder de panaarde gemengeld. De witte boonen liggen van onder in den put.

In plaats van boon zegt men ook booneerde.

— = (Ziekte) Knobbel of gezwel in het gehemelte van een pecrd. C. D. De boon uittrekken.

Ook boonziekte.

— = Soort van gewone kant waar regelmatig figuurkens gelijk suikerboonen in gewerkt zijn.

BOONEERDE (scherpeo , zware e), z. nw., vr.. — Z. Boon.

Sluiten