Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

burgersmensch, voor burgerkind, burgerkost , burgerleven , burgermensch.

BURREL, z. n\v., m.. — Zijnen burrel uitlaten, geweldig , woest te werke gaan, buitensporigheid doen , wordt gezeid van het weer en van de menschen. Zij hebben gisteren op straat hunnen burrel (beer, boer) uitgelaten.

— Een burrel van een weder, slecht, geweldig, stormig weder.

BURRELEN, werkw., onov. {hebben), = Loeien , van horenvee. D. S. De koeien burrelen.

— = Groot gerucht maken , schreeuwen , tieren. D. 't Is niet zingen dat gij doet, 't is burrelen.

BUS, z. nw., vr.. = (Smid) Deel van den vijlstaak waar de vijs in draait. C.

BUSKOP, z. nw., m.. — Z. Biskop.

BUSSEL, z. nw., m.. = Bundel. Een bussel hooi, stroo, klaver. Z. Wdb..

==== (Blikker) Twaalf zanten plekkelingen bijeen. Z. Zante.

— = Luiers. C. S. Een kind in den bussel doen.

Bij D. bundsel en bunsel.

Zuidned. zegt V..

BUSSELEN, werkw., overg.. — Zwachtelen, in de doeken winden en binden. C. Een kind busselen.

Bij D. bundselen , bij S. bunselen.

Zuidned. zegt. V..

BUTEN , bijw., = Buiten. Buten, zei hij tegen den hond.

BUTOOR (scherpe o), z. nw., m.. = (Smid) Steekmes om de hoef te zuiveren eer men er het hoefijzer op nagelt, Fr. butoir. D.

BUTS, z. nw., m., (niet vr.). = Deuk. Z. Wdb..

Buts is het tegendeel^van buil, dat een hobbel is.

Gewest, zegt V..

Spr. : Volgens den ral is de buts, 't hangt al van de omstandigheden af, de uitval is onzeker. Den buts tegen de buil slagen , het een met het ander vergoeden.

BUUK, z. nw., m.. = Beuk, beukeboom, beukenhout. K. bueckeboom. Een stoel van buuk gemaakt. Een dreef van buken.

BUUR, z. nw., m.. = Huis , plaats

Komt voor in ovenbuur.

BUURVROUW , z. nw., vr.. = Babbelaarster, meest al schertsende gezeid op een manspersoon dat veel babbelt.

Sluiten