Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CARNALIE, v.. = Slechte vrouw, vrouw die zich slecht gedraagt, 't Fr. canaille. C.

CARNAVAL, z. nw., m., (niet o.). = Vastenavond. C.

CAROLIENTJES, z. nw., o., meerv.. = Kleine , witte, vroege, ronde aardappels , het loof is geelachtig en netelachtig.

Ook oorlintjes.

CAROOT . z. nw., vr.. — In de uitdrukk. : iemancl een cavoot trekken, iemand verneuken , foppen.

Bij S. ook carot, bij R. carotte.

CAROTENTREKKER. z. nw., m.. = Fopper, bedrieger. R. carottentrekker.

CARRÉBLOK, m.. = (Blokkenmak.) Klomp waarvan het voorste van den neus ingesneden wordt, terwijl men bij de andere klompen den neus voluit laat.

CASINO, z. nw., m., (niet o.). — Z. Wdb..

CAVEL , z. nw., m.. — Verbastering van het Fransche cavalier, worp, vier teerlingen, ieder met hetzelfde getal oogen naar boven.

Wordt gebruikt in het tritsspel.

CAVELEN, werkw., onov. eenpers. (heiben). — (Tritsspelj Het cavelt, er vallen vier gelijke teerlingen .

CAZZEN, z. nw. m.. = Casimir.

CEEZE, z. nw., vr.. = Licht rijtuig op twee wie len. D. Met de ceeze naar de stad rijden.

Bij D. cieze en ciezie.

CEEZEPEERD, z. nw , o.. = Peerd dat gemeenlijk in eene ceeze gespannen wordt. D. ciezepeerd en cieziepeerd.

CEMENT, z. nw., m., (niet o). — Z. Wdb. C.

GEMENTMOORTEL, z. nw., m.. — (Metser) Mortel bestaande uit zand en cement, en meest gebruikt bij water- en kelderwerken.

CEMENTPLAVEI, z. nw., m.. — (Metser) Vloertegel van kunstcement.

Ook cementsteen.

CEMENTSTEEN, z. nw., m. — Z. Cementplavei.

CEMENTZAK, z. nw., m.. = (Metser) Langwerpige zak waar cement in vervoerd wordt.

CENS, z. nw., 111.. = Muntstuk van 2 centiemen, cent. C. Veur 'nen eens krijgt ge vier noten. Ook eins.

— Cenzen, meerv. beteekent geld. C. Die vent zit met cenzen. Ik en kan niet betalen, ik heb mijn cenzen vergeten.

— Halve eens, een centiem.

Ook duitje.

Spr. : Hij zou 'nen halven eens in tweeën bijten, hij is zeer gierig.

— Ofschoon eens van een meervoudig grondgetal 1

1 voorafgegaan is, blijft het toch, gelijk frank en gulden, zonder meervoudsuitgang. Een pint voor vijf eens.

CENTER, z., nw., m.. = Houtwerk waar een boog op gemetst wordt, cintre. C.

. — Van zijnen center zijn, op of in zijnen center niet zijn, onpasselijk, onthutst zijn. C. D. T. S. R. Ik ben op mijnen center niet door al dat droevig nieuws. ^ Ook van zijn eerde, van zijn eerdewerk, van zijnen post ■ zijn.

CENTERBOOG , z , nw., m.. = Cirkelvormig gewelf, voute en plein cintre.

Ook centerverwelf.

CENTERBOOT, z. nw., m.. = (Schipper) Plezierjachl met een enkel groot zweerd te midden. De centerboot is een niet overdekte boot van boven, en zoo komt het dat hij dikwijls water schept bij hevigen wind.

CENTEREN,'werkw., overg.. = Centers plaatsen. C. Wij zijn al bezig met de vensters van het tweede verdiep te centeren.

CENTERGAT, z. nw., o.. — Ieder gat of opening in den muur waar het onderdeel van eenen center in rust. C.

CENTERHOUT, z. nw., o.. = Hout, plank of latten, gebezigd aan eenen center. Centerhout, als de bouw voltrokken is, wordt tot brandhout gebezigd.

CENTERVERWELF, z. nw., o.. - Z. Centerboog.

CERAMIEK, z. nw., m.. = Zeer harde steen gemaakt uit klei vermengd met smeltbare en kleur aanbrengende stoffen.

CERAMIEKEN , bijv. nw.. = Van ceramiek. Een ceramieken vloer.

CESSENS, CESKENS, z. nw., altijd in 't meerv., van ces, vr. ? en cesken, o.. = (Ziekte) Stuipen, convulsions, acces, D.

Men spreekt, onder andere, van schreiende, lachende, huilende, inwendige, loopende, zingende cessens, volgens de verschijnsels der ziekte.

CHAMPETTER, z. nw., m.. = Veldwachter, garde-champêtre; ook politiebediende van het dorp , agent de policc. C. D.

Soms ook pijkman.

Spr.: Ge zit daar alsof ge er van den champetter gezet waart, roerloos, zonder iets te zeggen.

— = Dubbele borrel.

CHAMPETTERDERIJ, CHAMPETTERIJ, z. nw., vr.. = Kleine bediening , b. v. eene kleine pastorij of kosterij.

CHOCOLAT, z. nw., m. (niet vr.). = Chocolade, 't Fr. chocolat.

CHRISTELIJK, bijv. nw.. = Godvruchtig,

Sluiten