Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

D. — Kwelspreuk met D : Daniël (oi David) deed den dikken duvel dansen doof den dikken dunnen dvaf; dat deed Daniël (David) den dikken duvel doen.

DA. — Voor dat, bijv. nw., voornaamw. en voegwoord. C. Da kind. Ik heb da niet gezeid. Ge weet da mijn vader da nietgeerne heeft. Z. Dat.

DA, DADA. — Kindergroet voor dag, goeden dag, C. R. Zegt dada aan vader, veurdat we vertrekken.

DAAD, z. nw. vr.. — Met of in de versche daad, zonder uitstel, op staanden voet. C. Loopt er in de versche daad naartoe.

DAAFKEN , z. nw., o.. — Een daafken aanhebben, een weinig dronken zijn.

Meer doe/en doefken.

DAAI, z. nw., vr,, = Luie vrouw. O ! gij daai !

—■ = Vrouwmensch dat een zotten slag kan uitslaan, .dat dwazen praat vertelt. C.

DAAK. — Samengetrokken uit da'k, dat ik.

Z. Dat.

Spr. : Daak, zei de puit, en hij vroos met zijn poolen aan 't ijs, het geeft er niet aan. Woordenspel op daken, raken.

DAALDERS, z. nw., m., meerv. van daalder. = Soort van gele aardappels die op de peten trekken.

DAALSEL , z. nw., o.. — (Steenbakker) Afstand tusschen het baken en de kruin van den oven, door het zakken der steenen teweeggebracht.

DAAR, bijw.. — Wordt dikwijls gebruikt in den zin van het Fr.filoild, tenez, bijzonderlijk als men spreekt met ongeduld, met verwondering of met ontevredenheid, C._D. S. T. Ge vraagt al zoolang

naar dien boek ; daar, en laat mij gerust.

— Is dikwijls aanwijzend gelijk het Fr. la. Geef mij dien lepel daar.

— Daar zi (soms si), ziedaar, voila. C. D. Daar zi, ge hebt nu alles wat ge gevraagd hebt. Waar is mijn stok ? — Daar zi.

— Daar res (klemt, op ra), daar even. C. D. Hij is daar res vertrokken.

D. schrijft rechts.

Ook daar rezzehens.

— Daar medeenen, daarjust, daar seffens, daar even, vóór een oogenblik. C. Waar is de brievendrager ? Ik heb hem daar seffens zien binnenkomen.

— Daar of omtrent, daaromtrent, redelijk. C. Het is daar of omtrent twee uren van hier. Zijn gedrag is daar of omtrent goed.

— Daar nou (klemt op daar), uitroep van verwondering. C. Daar nou , wie zou dat gepeisd hebben !

— Daar hedde 't nou, uitroep van teleurstelling, ontevredenheid, verwondering. C. T. R. Daar hedde 't nou : hij kan niet komen, ik heb altijd gezeid dat wij op hem niet rekenen mochten.

—,Daar, daaraf, daarover, enz., worden gebruikt voor waar, waaraf, enz.. Z. Spraakleer, bl. 27.

DAARAF, bijw.. — Gebruikt voor daarvan. Z. Spraakleer, bl. 27. C. Ik heb er geen woord af vernoemd.

Z. Verdam.

DAARLATEN, werkw., overg., met persoonsnaam tot voorwerp. — Weglaten , achterlaten. C. T. R. Wij hebben maar twee helpers van noode, den derden laten wij daar. Jan had mij gevraagd hem te gaan roepen, maar ik heb hem daargelaten , want ik wandel niet geerne met hem.

Sluiten