Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik zal dat doen, als 't naar uwen dank is. Het is met vaders dank dat ik trouw.

Spr. : De wereld staat tegen zijnen dank, van iemand die zeer misnoegd, zeer verdrietig is, of die er zeer stuur uitziet.

V. : «Verouderd ; nog over in tegen wil en dank. »

Z. Verdam, 2).

DANKE. =Dank u, bedankt. C. R. Als ge iets krijgt, moet ge altijd danke zeggen, zei de moeder.

't Wordt meest door de kinderen gebezigd, de groote menschen zeggen bedankt.

DANS, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Iemand 'nen (anderen) dans leeren, iemands lesse spellen, hem berispen, toonen wat hij te doen heeft. Den dans ontspringen, aan een gevaar ontsnappen. Met zulke kerels kan men geenen dans maken, niet overeenkomen, geen werk maken. Den dieren dans betalen. Z. Dier.

DANSEN, werkw., onov. (hebben). —Z. Wdb..

Gep. w. : Dansen en springen.

Spr. : Dansen gelijk iemand schuifelt, in alles gehoorzamen Daar was zooveel volk dat ge op de koppen kost dansen, zeer veel. Als de kat van huis is, dansen de muizen.

— — Trappelen van ongeduld of gramschap. C. Hij danste van colere.

— = Pinken, van de sterren. Als de sterren in den hemel dansen, zeggen de boeren, dan vriest het dikwijls zeer hard.

DANSKOORDE , z. nw., vr.. = Koorde waar de meisjes mee dansen.

DANT. — Dat het versmolten. Z. Dat.

DANTE, z. nw., vr.. — Spotnaam op een vrouwspersoon. Een lichte dante.

Z. Verdam.

DAPPEN, werkw., overg.. = Ondiep spitten. Den grond dappen is veurdeelig, zegt men, veur de boonen, omdat zij 'nen vasten ondergrond vragen.

Ook dodden, dotten, dumnielen, omdappen , omdod-

den , omdotten en omdummelen.

DAPPER, bijw.. = Snel. C. D. S. K. celeriter. Ge zult dapper moeten gaan om intijds te zijn. Hij is dapper aan 't schrijven.

Bij V. Zuidnederl..

Z. Verdam, 1).

DAPPERE, z. nw., m.. — Z. Afgang. D.

— Dapperken, o., dansspel waarin men zeer snel de koorde draait.

Ook gipsen.

DAR, z. nw., m.. — Z. Broedbie.

DARENT, bijw.. = Daar, derwaarts. D. Ge moet naar darent zien.

DARM, z. nw., m.. — Z. Wdb .

De beenhouwers onderscheiden den dikken darm, de dunne darmen en den eersdarm (zware e), den laatsten van al, die verbonden is met het achterste en van smeer omringd is.

Ook daarm en derm.

— = Lange dunne pijp of buis van leder of lood. C. D. S. Een looden darm.

Bij Verdam darm, daerm, darem en derm.

DARN, z. nw., m.. — Z. Broedbie.

DARNVAL, z. nw., vr.. — Z. Darnvanger.

DARNVANGER , z. nw., m.. = (Bieman) Toestel dienende om de darnen te vangen.

Ook darnval.

DAR VEN, werkw., overg.. — Durven. Dat darf ik niet doen.

Ook derven.

DAS, z. nw., m . — Z. Wdb..

Spr. : Zoo vet als een das. Zweeten gelijk een das. Haar gelijk een das, zacht en fijn.

— = (Schilder) Penseel van dassenhaar. C. D.

DASSE. — Dat zij versmolten. Z. Dat.

DASSEN, werkw., overg.. =(Schilder) Met den das overgaan. Een nieuw geschilderd paneel dassen.

DASSEVEL, z. nw., o.. = (Voerman) Lederen lap boven op het gareel. D, Op het dassevel staat dikwijls met taatsten de naam van den voerman geteekend.

DASTER. z. nw., m.. = Modder, drek of andere vuilnis. Hij heeft in eenen daster getrapt.

— = Alle nattige dunne stof. Als de boter dun is, is het éen daster.

— = Schuld , plak. Iemand eenen daster aanzetten.

— = Armen praat, rimram Ik luister naar uwen daster niet.

Ook deister.

DASTEREER (zware e), z. nw., m.. = Die gedurig staat te trappelen. Wel kind , gij zijt een dastereer, gij kunt niet stil staan.

— = Die rimram vertelt, babbelaar.

Ook deistereer.

DASTEREN, werkw., onov. ('hebben). = Trappelen, bijzonder in vuiligheid. Die straatjongen vindt zijn genoegen met in de moor te dasteren.

— = Plakken, dun zijn, loshangen. De boler deistert als zij te slap is.

Ook dretsen

— onov. (hebben). = Armen praat vertellen.

Voor de 3 beteekenissen ook deisteren.

DAT, voegw.. = Indien. C. Dat ik tijd had, ik ginge er naartoe.

— Dat., zoo, in het tweede deel van eenen volzin, beteekent dikwijls zoodanig. C. D. R. Ik en kan niet schrijven dat mijn vingers zoo stijf zijn.

19.

Sluiten