Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DEURBRAAF, bijv. nw„ = Zeer braaf, 't Is een deurbrave jongen. Z. Braaf.

DEURBRAKKEN, werkw. overg., scheidb.. = Doorbaden, doortrekken, meest van vuil en modder gezeid. Hij brakt overal maar deur, tzij poelen of plassen.

DEURCEEZEN, werkw., onov. [hebben en zijn), scheidb.. — Er deurceezen, snel bewegen, meest van rijtuigen. C.

DEURCHAS, z. nw., m.. = (Smid) Soort van doorslag met een gat in.

DEURCHRISTEBBIK bijv. nw.. = Zeer godsdienstig, zeer deugdzaam. Ik weun bij deurchristelijke inenschen.

DEURDAT, voegw.. - Ömdat.

Bij V. doordat.

DEURD JAKKEN. werkw., meest onov. (hebben), scheidb.. = Door denzelfden ros , zonder nieuwe koffie of suikerij, nog eens koffie opgieten. De kaffee is af, maar wij zullen nog eens deurdjakken. Ook deurgieten, deur jassen, deurrossen.

DEURDOEN, werkw., overg., scheidb.. = Door een zift duwen. C. T. R. K. exprimere per cribrum. Het beziënsap is niet zuiver genoeg, ge moet het nog eens deurdoen.

DEURDRAAIEN, werkw., onov. (zijn), scheidb..

— Er deurdraaien , ten onderen gaan. Die boer is er deurgedraaid. S.

DEURDRAGEN, werkw., overg., scheidb.. — Z. Wdb..

— = Door dragen bezeeren. T. Mijn schouders zijn deurgedragen.

— onov. (hebben). = Helpen , voordeelig zijn. Het zal ons alle weken veel deurdragen , dat de boter in prijs geklommen is.

DEURDRIJVEN, werkw., overg., scheidb.. — (Timmerm.) 'Nen nagel deur drijven, zijnen kop zoo diep inslaan dat hij niet meer uitkijkt.

DEURDRINKEN, werkw , overg., scheidb.. = Afdrinken , door drinken de kwade gevolgen van iets wegnemen. Een valling deurdrinken.

DEUREEN, bijw.. = Dooreen :

Met dit bijwoord maken wij een oneindig getal van samengestelde werkwoorden. Zulke zijn deureenbringen, deureendansen, deureendrijven, deureengeraken, deureengieten, deureengroeien, deur eenhuilen, deureenjagen , deureenklappen, deureenkoken , deureenknauwen, deureenkrijgen (onder malkander doen komen , doen gaan), de ureenkruipen, deureenleggen, deureenliggen (in de war liggen) deureettloopen, deureenmalen, deureenmengelen , deureenpikken , deureenrijden , deureenrijven , deureenroepèn., deur eens chrij ven, deur eenspar telen, deureen spelen, deur een spreken, deureenspringen, deur een staan, deur eensteken, deureenstuiven, deur Benstrooien, deureentateren , deureentuimelen, deureenvallen , deureenvlechten , deureenvliegen , deureenwarren, deureenwemelen, deureen-

werken, deureenweven , deureenwoelen , deureenwrijven, deureenwroeten , deureenzetten, deur eenzingen, denreenzitten , deureenzwemmen.

Wanneer die werkwoorden een voorwerp hebben, slaat deureen op het voorwerp ; in alle ander geval slaat het op het onderwerp. De onderwijzer zette de leerlingen deureen ; de leerlingen zitten deureen.

Wij zullen er eenige in 't bijzonder aanhalen.

DEUREENBABBELEN, werkw., ov., scheidb.. = Onsamenhangend babbelen. C. T. R. Spreekt duidelijk, ge babbelt alles deureen.

DEUREENBRABBELEN. werkw., overg., scheidb.. .= Op onduidelijke wijze zeggen. C. T. Ik versta u niet als ge antwoordt, ge brabbelt alles deureen.

DEUREENBRONSELEN, werkw., overg., scheidb.. = Ordeloos, vuil onder elkander mengen. Als liij eet, bronselt hij patatten, groenten en vleesch deureen.

DEUREENDOEN. werkw., overg., scheidb.. = Door elkander mengen, verwarren. C. T. R. Gij hebt de draden van de saai deureengedaan, ik zal de streen niet loskrijgen.

DEUREENDRINKEN , werkw., overg., scheidb.. = 't Een door het ander drinken. T. R.

DEUREENGAA.N , werkw., onov. (zijn), scheidb.. = Verwarren C. T. Die streng garen is heel en al deureengegaan.

DEUREENMEUTEBEN, werkw., overgank., scheidb.. = In kleine brokskens mengen. Als hij eet, meutelt hij vleesch en groenten deureen.

DEUREENMOOS CH EN, werkw., overgank., scheidb.. = Onbehendig , kwaadwillig verwarren. Met in die kas te zoeken, heeft hij al mijn papieren deureengemooscht.

DEUREENRAMMELEN, werkw., overgank., scheidb.. —Z. Deureenbabbelen.

DEUREENROOIEN, werkw., overg., scheidb.. = Dooreenwerpen. C.

DEUREENSCHAR(R)EN , DEUREENSCHEIREN, werkw., overg., scheidb.. — Al scharrelende dooreenmengelen. C. T. De kiekens hebben stroo en kafdeureengeschaard.

DEUREENSCHIETEN, werkw.,overg.,scheidb.. — Z. Wdb.

— = (Kaartspel) Mengen. Vooraleer te deelen, moet ge de kaarten deureenschieten.

Ook deureenschudden', deurschieten, deurtrekken en vaneent rekken.

DEUREENSCHUDDEN. werkw., overgank., scheidb.. — Z. Dooreenschieten. T.

DEUREENTOORTEBEN , (scherpe o), werkw., overg., scheidb.. — Mengelen, dooreendoen. De bakker toortelt de korenten en den deeg goed dooreen , alshij een korentenbrood gaat bakken.

Sluiten