Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DEURENDEUR, DOURENTEUR. bijw.. Z. Deur. Zijn slechte kameraad heeft uwen zeun deurendeur bedorven.

DEUR- EN VENSTERGELD, z. nw„ o. = Belasting op deuren en vensters.

Komt in 't raadsel op het slekhuis :

Het is gemaakt uit den geheelen ,

Zonder moortel of truweelen ,

Het geeft noch deur- noch venstergeld ,

En 't en moet nooit hersteld.

Die het wilt huren of wilt pachten ,

Die mag niet te lange wachten Of de occasie is voorbij,

Het is van alle lasten vrij.

DEUR EN WEER STEKEN, werkw. overg. = (Kleermaker) Eene stiksteek maken en de naaide langs onder en langs boven doorsteken. Dat goed is te dik, ge moet dat deur en weer steken.

DEURGAAN , werkw., onov. (zijn), scheidb.. = Weggaan, vertrekken. C. D. Maakt uw pak gereed, wij gaan deur.

Spr. : Als ge deurgaat, zijt gij in tweeën, woordenspel , als iemand zegt : ik ga deur.

— Vooruitgaan, gemakkelijk vetten, van dieren

gezeid. Dat verken gaat goed deur.

= (Kaartspel) Vallen. Ik had maar een pijken

meer, en ik liet ze deurgaan.

Er deurgaan, i° haastig gaan. Ziet eens hoe die

leurder er deurgaat. 2° Rap vorderen. Als ge graan dorscht met het machien, dan gaat het er deur.

DEURGAANS, bijw.. = Doorgaans, meestal. K. continenter. In den Winter is het deurgaans koud.

Doorgaand is niet gekend.

DEURGAANSWEG, bijw.. —Z. Deurgaans.

DEURGAT, z. nw„ o.. = Opening des muurs die door de deur gesloten wordt.

— Doet het deurgat toe, zegt taen, als de deur openstaat.

DEURGEBRILD, bijv. nw.. — Deurgebrild zijn, op zeker tijdstip van het leven, na lang bijzichtig geweest te zijn, op gewonen afstand zien.

DEURGEliINGD , bijv. nw.. — (Bieman) De bieën zijn deurgelingd , als zij de raten verlengen , als zij laag in den korf werken.

Ook deurgeschoten en deurgewerht.

DEURGERAKEN, werkw., onov. {zijn), scheidb.. = Kunnen weggaan. Ik zal niet deurgeraken, als ge mij zooveel uitvraagt.

— Er deurgeraken, zijne fortuin verliezen. Als gij zooveel kosten blijft doen , zult ge er deurgeraken.

DEURGESCHOTEN , DEURGEWERKT . bijv. nw. — Z. Deurgelingd.

DEUR GEVEN , werkw., onov. (hebben), scheidb.. = Wijken, inzakken, begeven. De planken geven deur als ge er over gaat.

DEURGIETEN, werkw., meest onov. (hebben). — Z. Deurdjakken.

DEURGIPSEN, (i = ie kort\ werkw., onov. (zijn en hebben), scheidb.. —Er deur gipsen, hard loopen. Als het peerd de zweep gewaar wierd, gipste het er deur.

DEURGOOIEN, werkw., overg., scheidb.. = (Kaartspel) Spelen, opleggen, met een gedacht van aarzeling. Gooi uw tien maar deur, ge kunt ze toch niet meer ophalen.

Ook deurleggen en deur rooien.

DEURHALEN, werkw , overg., scheidb.. =(Wever) De draden van de keting of van den drom door het riet en de hevels van den weefkam halen , remettre. D.

DEURHANGEN, werkw. , onov., scheidb.. —(Metser) De draad hangt deur, wanneer hij, op eene aanzienlijke lengte gespannen, in't midden doorzakt.

DEURHAPSEN, werkw., onov. (hebben), scheidb..

— Er deurhapsen, rap loopen. Dat peerd hapst er deur, als 't eens aan 't loopen valt.

DEURHOU(DEiN, werk., overg., scheidb.. Eenen tijd doorhouden. C. T. Wij gaan ons koe deurhouden, want ze wilt niet vetten.

DEURJAGEN, werkw., overg., scheidb.. Wegjagen, wegzenden, C. D. S. De meester heeft hem deurgejaagd omdat hij 's Maandags altijd te laat kwam.

DEURJAGER , z. nw., m.. = Iemand die wel eet en drinkt en nochtans mager blijft. D. S. T. K. vorago. Z. Verdam,

— = Stalbeest dat moeilijk vet.

DEURJASSEN, werkw., onov. (hebben). —Z. Deurdjahhen. — Er deurjassen, zeer rap loopen. Ze zaten hem op de hielen en hij jaste er deur.

DEURKAPPEN, werkw., onov. (hebben), scheidb..

— Er deurhappen, haastig loopen, bijz. van peerden.

DEURKLAPPEN, werkw., wederk., scheidb.. — Door praten zich verraden. Hij zei dat hij niet plichtig was , maar door mijn danig vragen klapte hij er hem deur.

Ook deurpraten.

DEURKLEIN, bijv. nw.. = Zeer klein. K. perparvulus.

DEURKRIJGEN, werkw., overg., scheidb.. = Er doorheen komen, doorleven. C. Dat ziek vrouwken zal den Winter niet deurkrijgen.

DEURKRUIPEN, werkw., onov. (zijn), scheidb..

— Er deurkruipen, uit 'een slechten toestand geraken , maar moeilijk of traag. D S Ik moest mijn exaam doen en hoe ik er deurgekropen ben , versta ik niet.

Ook er deur spartelen.

Sluiten