Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DEURSCHIJNEN. werkw., onov. {hebben), scheidb.. = Met kracht schijnen. Zoolang de zon niet deurschijnt, zal de grond vochtig blijven.

DEURSCHORPEN, werkw., overg., scheidb.. —= (Timmerman) Met de schorpzaag doorzagen. C. Een plank deurschorpen.

DEURSCHRIJVEN, werkw., onov. (hebben), scheidb,. = Met kracht, met spoed schrijven. T.

DEURSCHUIVEN. werkw., onov. (hebben en zijn), scheidb.. — Er detirschuiven, haastig vorderen of bewegen. Ziet eens hoe de trein er deursehuift.

DEURSLAG, z. nw, m.. — Z. Wdb..

Spr. : Den deurslag geven, een doorslaand antwoord geven, op zulke wijze spreken dat de andere sprekers moeten zwijgen. Met zoo te spreken, gaaft ge den deurslag en hij moest wel ja zeggen.

— = (Kleermak.) Beitel om de knoopsgaten te slaan.

Ook knopgatsbeetel.

— — (Schoenmak.) Werktuig om de holekens in de overleders te kappen.

DEURSLAGEN , werkw., onov. (hebben), scheidb.. — Met kracht slaan. Ge meugt wel slagen, maar niet deurslagen.

Ook deursmijUn.

DEURSLAGER, z. nw., m.. = (Vleeschhouwer) Mes dat langs den rug snijdt, en op den kant waar de snede zou moeten zijn, zeer dik is. Als het vel af is , begint men de beest aan het steertstuk te scheiden : dat gebeurt met den deurslager waar men met eenen hamer op slaat. Verder scheidt men met het kapmes.

DEURSLEGEN. bijv. nw.. Door slaan aan

het slaan ongevoelig gemaakt. D. Die ezel is deurslegen : hij gaat niet rapper of niet trager als hij van de zweep krijgt.

DEURSLIM. bijv. nw. en bijw.. = Zeer slim.

DEURSMIJTEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Deurslagen.

DEURSNIJ(D;EN , werkw., onov. (hebben en zijn), scheidb.. —Er doorsnijden, haastig vorderen. Zie eens hoe die wielrijder er deursnijdt.

DEURSNOEXEN, werkw., onov. (hebben en zijn), scheidb.. —Er deur snoeien. Z. Deursnoeren.

DEURSNOEREN, werkw., onov. (hebben en zijn), scheidb.. — Er deursnoeren, zeer rap vooruitgaaji, zeer snel bewegen. De gendarmen komen, riepen ze , en de dieven snoerden er deur.

DEURSNUISTEREN, werkw., overg., onsch.. = Doorsnuffelen. C. D. S. Als hij binnenkwam, begon hij aanstonds mijn brieven te deursnuisteren.

DEURSPARTELEN . werkw., overg. (hebben en zijn), scheidb.. = Met groote moeite doorkomen. S. Hij is de ziekte deurgesparteld.

— ook onov. (zijn). De vragen waren moeilijk, maar hij is er toch deurgesparteld.

DEURSPETEN, werkw., overg.. onsch.. = Doorsteken met eene speld of naald, K. transjigere veru. De brief dien de blinde ontvong , was heel en gansch deurspeet en zij las niet met heur oogen , maar met heur vingers.

DEURSPREKEN , werkw., onov. (hebben),

scheidb.. = Dringend, dreigend , dwingend spreken. Als ge deurspreekt, zal hij u niets durven weigeren.

DEURSTAMPEN , werkw., overg., scheidb.. In stukken stampen Een lat deurstampen.

DEURSTEKEN, werkw., overg., onsch.. ■— De kaarten deursteken, mengen. C. S. T. R.

— scheidb.. - In tweeën zagen. Nen boom deursteken.

— = Verwijten. D. S. Waarom wilt gij hem die fout nog altijd deursteken ?

V. zegt: Gewestelijk.

— = Zijgen, door een zift halen. D. Tomaten deursteken.

DEURSTUIVEN, werkw., onov. (zijn en hebben), scheidb.. — Er deurstuiven , hard loopen.

DEURTEENEN, werkw., overg., onsch.. — Nen blok deurteenen, bij het bewerken, door het hout van den teen snijden.

DEURTINTELEN, werkw., onov. (hebben, scheidb.. = Hevig vriezen. Het zal dezen nacht deurtintelen.

DEURTRAPPEN. werkw., onov. (hebben), scheidb.. == Met kracht en spoed gaan. Ge zult moeten deurtrappen, wilt ge den trein nog hebben.

DEURTREKKEN, werkw., overg., onsch.. (Kaartspel) Mengen. Vooraleer te deelen, moet de deeler de kaarten deurtrekken.

Ook vaneentrekken.

— scheidb.. — Er iemand deurtrekken, doorhelpen, redden. Had.de ik er u niet deurgetrokken, ge zoudt in uw examen blijven steken zijn.

V. = iemand berispen.

— onov. (hebben). — Iets in groote mate doen, b. v., eten, drinken, nemen, vragen, 't Was feest voor de gilde en ze hebben deurgetrokken, want er was te weinig vleesch. Ik zag dat hij welgezind was en om iets te verkrijgen, heb ik deurgetrokken.

— Er van deurtrekken (zijn), weggaan. T. Hij is er stillekens van deurgetrokken.

Ook er van onder trekken.

— onov. (hebben). — Krachtig , hevig zijn. De zonne trekt deur.

DEURTRENEN (zware e), overg., onsch. Doordringen. De olie heeft heel de kan deurtreend.

— onov. (zijn), scheidb.. — Doorzijpelen. Do olie treent deur. De kan is deurgetreend.

Sluiten