Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Leelijki dingen doen, onbeleefdheden begaan , on- '

betamelijke, onzedige werken verrichten.

— Die dingen, de maandstonden. Zij lijdt van die dingen.

DINGEN, z. nw„ o.. = Ding, zaak. C. D. R. Een dingen is zeker, 't is dat ik morgen niet meega.

— : Kleederen. C. D. S. R. Hij heeft zijn beste dingen aan.

— Dingen wordt nog gebruikt om eenen persoon , eene plaats aan te duiden , waarvan men den naam vergeten heeft of niet noemen wil. C. D. Ik heb dien hoed gekocht bij dingen .... helpt mij eens op den naam.

DINGSCH . bijv. nw.. — Duidt eenen toestand aan dien men niet juist weet te bepalen. C. D. S T. R. Dat mensch is heel dingsch, maar ik ga er toch liefst niet mee om.

— - Slecht gezind, kwaad. Hij is dingsrh op mij.

DINKELIJK, bijv. nw.. = Niet kunnende gedacht worden. Het en is niet dinkelijk hoeveel pijn dat ik op dien dag uitgestaan heb.

DINKEN. werkw., overg.. = Denken. D. K. cogitare. Wat dinkt gij van dien kerel ?

Bij Verdam dencken en dincken.

— onov. (hebben). — Dunken. Het dinkt mij dat

' vader ziekelijk is.

Eij Verdam dunken, dinken en donken.

DIPLOOM, z. nw., m., (niet o.). — Z. Wdb.. C

DIPPEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Dibben. D.S.

DIRK, z. nw., m.. = (Schipper) Gei.

— (Schipper) Zware touw die van aan den loopenden dirk naar het bovendeel van den mast en van daar door den dirkblok naar het uiteinde van de gei loopt. Die dirk wordt meest staande dirk genoemd.

— (Schipper) Loopende dirk, verlenging van den staanden dirk, touw door de katrol loopende die van onder aan den staanden dirk hangt.

Ook dirklooper.

DIRKBLOK, z. nw., m.. (Schipper) Katrol in het bovendeel van den mast geplaatst waar ,1e staande dirk door loopt, als de gei opgeheschen of neergelaten wordt.

DIRKLOOPER. z. nw., m.. Z. Dirk.

DITJE. z. nw., o.. — In de spr. : 'I Is altijd een ditje met een datje, daar is altijd iets mis, daar valt altijd wat op aan te merken. C.

DJ AAK, m.. = Jakobus.

— = (Al schertsende) Sukkelaar, duts.

DJAK, z. nw., vr.. = Zweep. D. De koewachters leeden de beesten naar de wei met een djak.

Het lied der djak wordt door de koeters vertaald :

Het wordt koud ,

Ik ben benauwd ,

Ik ben benauwd.

— = (Wever) Koorde waar de trekker aan hangt dien de wever in de hand houdt en waar hij de schietspoel mede om en weer jaagt.

— = Korte zweep waar de kinderen den tol mede slaan en doen draaien.

Ook zjak.

DJAKENA (klemt op dja). z. nw., vr-.. — Soort van neteldoek, lichte stof van verschillende kleuren. Over veertig jaar werd zij veel gebruikt voor zomerkleederen. Zij kostte ten minste eenen frank de el.

DJAKELEUREN. werkw., onov.. = Dartelen, spelen. S. Een jonge dochter mag niet djakeleuren , dat is onvoorzichtig.

Ook djokkeleuren.

DJAKKE. tusschenw.. — Klanknabootsing van eenig vocht dat uitgegoten wordt. Djakke ! en heel de eemer water kwam op mijn hoofd neer.

Ook zjakke.

DJAKKEN . werkw., onov. (hebben). = Met de djak klappen. D. De koewachters djakken als zij door het dorp gaan.

— overg.. — - Met de zweep voortdrijven. D. Djak die koe uit de klavers.

— = Gieten. Djakt dat vuil water maar op de straat.

— Verwijten, in den baard wrijven. Ik heb mij niet kunnen inhouden van hem zijn valschheid in zijn wezen te djakken.

Ook zjakken.

DJ AKKER . z. nw., m.. — Z. Ballijster.

DJAKLIJSTER. z. nw., vr.. — Z. Ballijster.

DJANTER , z. nw., m.. — Bijnaam, in ongeduld en lastigheid aan iemand gegeven. Die djanter van 'nen jongen, hij heeft weeral achter de haag geloopen.

DJANTERS, tusschenw.. = Bliksems, duivels. C. Dat zal djanters niet gebeuren.

— bijw.. — Zeer. Ge waart gisteren djanters lastig.

DJANTERSCH, bij v. nw.. = Dondersch, verwenscht. C. Die djanlersche kerel zal weeral te laat uitblijven.

DJEEMENIS. tusschenw.. — Uitroep van verwondering, zeer dikwijls van toch , gasten of menschen vergezeld. C. D. Djeemenis menschen ! wat aardige mode komt er nu op !

Ook djumenis, sjeemenis, zjumenis en soomelinks.

DJEEZEKEN, z. nw., o.. —Z. Deezeken.

DJILLE , z. nw., m.. - - Gillis.

Bij D. Djillen en djellen.

— Djilleken leeft nog, al lachende : ik leef nog, ik ben er nog, men heeft met mij nog te rekenen.

Sluiten