Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DJOEBEN, z. nw., m..= Sul, bloed. Een onnoo* zele djoeben.

Bij C. djappen en djoppen. Bij S. djobbe en djeubbe.

Ook Seppen, Teppen en Zrbedeus.

DJOKKELEUREN. werkw., onov. [hebben). — Z. Djakeleuren.

DJOLLEKEN , z. nw , o.. — Troetelnaam van een kind C. Mijn lief djolleken.

Ook doHehtn, marotteken, molleken.

DJOMPEL. z. nw.. m.. — Op den djompel zijn, sukkelen, naar een onzeker heenkomen rondtas ten, stoffelijk en zedelijk. C. S. Sedert de dood van zijn vrouw is hij op den djompel lk ben sedert een haif uur op den djompel en ik kan den goeden weg niet vinden.

Zoo ook op den djompel geraken. C. D

— Iemand op den djompel helpen , hem ongelukkig doen worden.

— = Kind, uit medelijden. Mijn arm djompelken. ik zal u helpen.

Ook dompel en sjompel.

DJ OMPELE ER (zware e), z. nw., m . — Iemand die zonder zijne fout ongelukkig is , sukkelaar. C

Ook dompeleer.

DJOMPELEN, werkw., onov. (hebben). = Dwalen zonder den rechten weg te kunnen vinden, lk djompel al drij uren en weet nog niet waar ik ben

Ook dompelen, sjompelen en sumpelen.

— = Sukkelen, tegen armoede en tegenspoed worstelen, C. Ik ben veroordeeld om heel mijn leven te d^ompelen.

Ook dompelen.

DJOORN scherpe o), z nw , m.. = Halve pint bier. C S.

Ook kapper.

DJOOZEKENS , DJOOZENS , tusschenw.. Verbastering van Jezus. T. djoezes.

DJUMENIS, tusschenw.. — Z. Djeemenis.

DO, DODO. — Moederwoord, geldende voor

slaapt. Dodo doen, slapen.

— Komt voor in 't gekende wiegelied :

Do , do , mijn kindjen ,

't Papken staat in 't pintjen.

Zoete melk en witte brood ,

Daarvan wordt ons klein kindje groot.

DOBBEL, bijv. nw. en bijw.. = Dubbel. C. D. K. Bij Verdam dobbel, dubbel, dubbelt en dobel.

— Dobbel leeuwerk. Z. Koorenleeuwerk.

— Dobbele lijster Z. Lijster.

— Dobbel meeuw. Z. Gog.

— Dobbel snep. Z. Snep.

— Voor dubbel of kwijt spelen , jouer a doublé ou a quitte.

— Die non staat dobbel, zeggen de kinderen, als de non danst, als de punt der non de hand schrapt en wat zeer doet.

Ook dobbelen.

Spr. : Dobbel en dik ; — iets dobbel en dik betalen , zeer duur ; alles dobbel en dik hebben, in overvloed. Met dobbel krijt schrijven, bedriegen, te veel rekenen. Dobbel is nog zoo dik, zei de duvel, en hij naaide met een klokzeel.

— Dobbele trap, dobbel leer , ladder bestaande uit twee ladders die van boven met eene spil samengevoegd zijn en meer of min kunnen onderuitstaan.

— Dobbele witjes, suikerachtige snoeperij, gewoonlijk wit, die in vorm van kleine rondekens op papier gebakken is.

Ook i'blu.

— Dobbele bloks (schipper), katrol met twee schijven die nevenseen geplaatst zijn.

Dobbele kop steenbakker), steen met oneffen kop.

Ook slechte kop

— Dobbele breede (steenbakker), zwaarste plavei.

— Dobbele oest (boer), pijl waar. twee aren op gegroeid zijn.

— Dobbele bak (wever), wisselbak.

— Dobbele scheel (pottenbakker), scheel die langs binnen en langs buiten verglaasd is.

— Dobbele deur. deur met twee vleugels.

— Dobbele gewrichten, z. nw., o., meerv.. = Fr. Nouures du rachitisme C. R. Van eene vrouw die, ten gevolge van het rachitisme eene vernauwing van het bekken heeft en moeilijk verlost, zegt men : zij is dobbel gewricht, elle a tin rêtrecissement du bassin.

C. : zij heeft dobbe' gewrichten.

— Dobbel thoop, gansch ineengedrongen. S. Het kindje zat dobbel thoop aan de deur.

— z. nw., o.. — (Boen Dobbel vlas, twee kaphandvollen als het vlas met de hand gezwingeld wordt, en, met den zwingelmeulen , tien of twaalf klippen. Z. Kaphandvol en Klip.

— Uit den dobbeleii zijn, in het jasspel, vijftig hebben en zoo beletten dat de tegenpartij eene dubbele schreef van den boom vege. Z. Boom.

Ook uit Jan zijn.

— m. — Zwaar bier.

DOBBELEEREN, werkw., overg.. = Verdubbelen. Laat ons den inzet van het spel dobbeleeren.

Meer verdobbeleeren.

Z. Verdam.

DOBBELE GERF, DOBBELE GERRIE. z.nw., vr.. = (Kruidkunde) Steenbreke, Spirroea filipendula, flos plen., fam. Rosac.

Ook keuningin der blommen.

DOBBELEN. werkw., onov. (hebben). — Z. Dobbel.

DOBBELE SPURRIE, z. nw., vr.. — Z. Dobbele gerrie.

DOBBELTONG (klemt, op tong), z. nw„ vr.. = Tong die dobbert , aarzelt in 't uitspreken van zekere letters. C. D. Spreken met een dobbeltong.

DOBBEREN, werkw., onov. (hebben). — Dubben, aarzelen. D. S. Hij dobberde in zijn antwoorden. Ook doeberen.

Sluiten