Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DRAADTAP. z. uw., m.. = (Timmerman) Soort van bobijn waarop de draad gewonden is, die dient b. v. om de kepers van een dak op gelijke hoogte aan de muurplaat vast te maken of om de pannelatten in eene rechte lijn op de kepers te nagelen, bobine a cordeau.

DRAAGBAK, z. nw., m.. = (Boer) Langwerpige bak voorzien aan de zijplanken van twee holen waar men den draagstok door steekt.

DRAAGKLIPPEL. z. nw., m.. — Z. Draagstok.

DRAAGKUIP, z. nw., vr.. = Kuip die nogal hoog en diklijvig is. Er zijn twee ijzeren ooren aan en zij dient vooral om beer te verdragen. C.

DRAAGOOR. z. nw., vr.. = (Smid en kuiper) IJzeren oor dienende om aan de kuipen te zetten en die te kunnen dragen.

DRAAGRIEM, z. nw., m.. — Z. Biehaak.

DRAAGSEL , z. nw., o.. = Pluimkens, haarkens en al dat waar de vogels hun nest mede maken.

Ook nestel. '

DRAAGSTOEL, z. nw., m.. —Z. Wdb..

— Kinderspel. Twee kinderen geven malkander de hand, daar zit een derde kind op dat zij voortdragen.

DRAAGSTOK, z. nw., m.. — Ieder van de twee stokken waar een draagbak of eene draagkuip aan hangt. C.

DRAAGZAK , z. nw., m.. = (Vinker) Zak waar de vinker zijn gereedschap in steekt.

DRAAI, z nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Op zijnen draai zijn , de herbergen afloopen en drinken. Nen draai geven aan iets, eene zaak anders voorstellen dan zij is ; — hij meent dat ik dit gedaan heb om hem te onderkruipen, maar ik zal daar wel 'nen draai aan geven dat hij van gedacht verandert. Op 'nen waai en 'nen draai, op 'nen draai en 'nen keer, in eenen oogwenk ; — ik loop, zei hij, en op 'nen waai en 'nen draai was hij terug. Iemand in den draai houden, hem paaien met beloften.

— = (Timmerm.) Plaats in het hout waar de draad dooreenloopt.

DRAAIACHTIG, bijv., nw., = Draaierig , bedwelmd. C. D. Mijn hoofd staat draaiachtig.

DRAAIBARD , DRAAIBERD , z.nw„m.. = (Stoeldraaier) Houten vierkant planksken dat de stoeldraaier op de borst legt als hij boort.

— = Draaibord. C.

DRAAIBEETEL, z. nw., m., = (Timmerman) Beitel met hollen bek, guts.

Ook goeziebeetel.

— (Stoeldraaier) Z. Wdb..

DRAAIBOOM, z. nw., m.. = Afsluitboom aan rijwegen en uitwegen.

V. spreekt alleen van spoorwegen. Zulke draaiboom heet hier bareel.

— = Draaiende lat die vroeger diende om de vensterblinden te sluiten.

DRAAIBOOMSPOOK , z. nw., o.. = Ingebeelde geest die , des avonds, op de draaiboomen zat om de voorbijgangers te verschrikken.

DRAAIEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Wdb..

Spr. : Draaien en keeren; — hij was beschaamd en stond daar altijd te draaien en te keeren zonder éen woord te zeggen. Waaien en draaien ; — ik ken heel de historie gelijk zij waait en draait. Draaien gelijk de wind, naar alle winden draaien, zeer veranderlijk zijn van karakter, van meening. Rond den pot draaien, nevens het ontwerp spreken, nevens de vraag antwoorden.

— = Gebeuren, geschieden. Het draait gelijk het wil, ik heb er geen schuld in. Hij is overal waar iets te draaien is.

— = Vooruitgaan , goed gaan. C. T. R. Zijn winkel draait niet.

— (op) onov. [hebben). = Berusten, bestuurd worden. S. Heel het huishouden draait op den man, want de vrouw is lui en traag.

— overg. = Toebrengen , in ongunstigen zin, meest met het tot voorwerp. C. D. S. Hij heeft achter mijnen rug gelachen , ik zal 't hem gaan draaien.

— - Al draaiende winnen op een draaiborü. Hij heeft op de kermis een doosken met soldaatjes gedraaid.

— Een pomphout draaien , het boren.

— (op). = Ten laste leggen. Gij zult zien, als hij kan , zal hij zijn fout op mij draaien-.

DRAAIER, z. nw., m.. = Zwengel, handvat, manivelle. Aan het spinnewiel is een draaier.

— Nen draaier leggen, (nonspel) eene non uitzetten die draait. Z. Flosser, het tegendeel.

DRAAIGOES, z. nw.,'vr.. = (Timmerm.) Guts, gouge. D.

DRAAIHALS, z. nw., m.. = (Vogel) Halsdraaier, Jynx torquilla, torcol verticille.

Ook slangvogel.

DRAAIKARRE. DRAAIKERRE, z. nw., vr.. — Z Drijwielkarre.

DRAAILING, z. nw., m.. = (Smid) Kleine ijzeren krol die, bij het bewerken op de draaibank , van het ijzer valt.

DRAAILOOS, bijv. nw.. — Draailoos zijn , draailoos worden, draaierig.

DRAAIMEULEN, z. nw., m.. = Draaibank, radertuigom iets op te draaien.

DRAAINAGEL, z. nw., m.. = (Smid) Gekromde nagel zoo gemaakt dat hij met de omgebogen punt in een oog draaien en vastzitten kan. C. D.

DRAAIPUT. z. nw. m.. = Draaikolk, neer.

Sluiten