Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DRUKTAFELKEN. z. nw., o.. (Kleerverver) Houten balksken waar langs den eenen kant ijzeren regelkens op gelijken afstand van malkander op liggen.

DRUMMEN. werkw., overg.. = Verdringen, firesscr. D. S. Ze drumden mij tot buiten de deur.

— onov, (hebben). = Dringen, drommen. D. S. K. prcemere. Wij hebben fel moeten drummen om in de kerk te geraken.

Spr. : Als 't hoogtij is, moet er gedrumd worden, zei de boer, en hij stond alleen veur de kerkdeur.

— Drummens. Kinderspel. Al de kinderen loopen samen in eenen hoek en drummen elkander daarin zooveel zij kunnen, al roepende : drummens !

Z. Drommen bij Verdam.

DRUMMER, z. nw., m., — (Metser) Steunpijler, contre-fort. D. De drummers staan op zekeren afstand langs den muur om dezen te steuaen.

Ook freit.

Z. Drommer bij Verdam.

— = Persoon met verdoken karakter.

DRUPNEUS, z. nw., m.. = Druipneus. Als ge een valling in 't hoofd hebt, loopt ge licht met 'nen drupneus.

Spr. : Met 'nen drupneus staan, teleurgesteld zijn, bedrukt kijken.

DRUPNEUZEN, werkw., onov. (hebben), onsch . = Eenen druipenden neus hebben. D. S.

— = Beschaamd, beteuterd zijn. C. D. S. Hij zal wel drupneuzen als hij weggezonden wordt.

Z. Drupnezen bij Verdam.

DRUPPEL, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Malkander gelijken gelijk twee druppels water. Veel druppels maken 'nen plas.

— = Borrel. S.

DRUPPEN, werkw., onov. (hebben). — Druipen , in droppels nedervallen. C. D. R. K. Het drupt deur den zolder, 't Water drupt van uw kleeren.

Spr. : Dat zal in um oogen druppen, dat drupt van den neus in den mond, dat zult gij bezuren , uitboeten.

— Kinderspel. Twee marmels, den eenen op den anderen geplaatst, neemt de drupper in de hand. Een der marmels is van den medespeler. Hij plaatst ze, den eenen boven den anderen, tusschen duim en middenvinger. Hij laat ze op den grond vallen en de marmels springen weg. De medespeler schiet van den eenen naar den anderen. Schiet hij er op of liggen ze zoo dicht bijeen dat hij den afstand kan spannen , dan zijn zij voor hem ; in het andere geval zijn zij voor den drupper. Dan begint een nieuw spel waar de andere speler drupper in wordt. V. D.

— (Bieman) Heuning druppen, den honing laten uitdruipen. Den heuning druppen is beter als hem te persen.

— Hepsen druppen , hammen nu en dan overgieten met eene saus van azijn, laurierbladen, peper, enz.. D.

— Keersen druppen, de wiek met ziedend was overgieten.

DRUPPER, z. nw., m.. = Kind dat drupt.

DUBBEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Dib'oen. D. S.

V. heet het verouderd.

Z. Verdam.

DUCHTIG, bijv. nw.. - (Boer) Tochtig, van koeien gezeid D.

Ook spellig.

DUFFELEN, werkw., overg.. — Warm inwikkelen. D. S. Hij duffelde hem in zijnen mantel en liep door de kou.

Bij C. doefelen , bij T. doffelen.

DUIF, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Vergelijk. : Zoo grijs als een duif, op haar en baard. Van kraaien en duiven spreken , van onverschillige, onbeduidende zaken.

— Duiven melken, duiven houden. D.

— Konijnen meihen, houden, kweeken.

DUIFKEN . z. nw,, o.. — Z. Wdb..

Spr. : 't Is een duif ken zonder galle , van iemand die zeer zacht van aard is.

— = Duifkensnoot.

DUIFKENSNOOT, z. nw.. vr.. = Noot in wier kern langs weerzijden twee beenen aaneen gegroeid zijn ; zij heeft het uiterlijke van eene duif.

DUIKELEER (zware e), z. nw., m.. = (Vogel) Soort van eend , Fuligula marila , morillon milouinan.

Ook krak.

DUIKEN. werkw., overg., soms wederk.. - Bergen, wegsteken. D. S. Duikt u of hij zal 11 zien. Ge moet niet duiken wat er in uwen zak steekt.

V. vertaalt het door zich verbergen.

DUIKER , z. nw., m.. = (Metser) Onderaardsche steenen buis. die boogvormig onder eenen stroom of vaart gemetseld is en dient om langs daar het water van eenen anderen waterloop te doen wegvloeien zonder met het eerste water te vermengen, siphon. V. D. S.

Bij C. duikeleer ; bij S. ook duikelaar.

DUIL, z. nw., m.. = (Brouwer) Soort van breed lisch dat men tusschen de duigen steekt om de vaten beter te doen sluiten.

DUILEN, werkw., onov. (hebben). = Al draaiende ronken. S. De non duilt.

— -= Ruischen. Mijn hoofd duilt van het danig gerucht dat gij maakt.

— = (Bieman) Luide gonzen , dommelen. De bieën duilen des avonds , als zij in den dag veel kunnen werken hebben.

DUILOOR . z. nw., vr.. — Z. Drijoor.

DUILPER , z. nw., m.. — Z. Dorpel.

DUIM , z. nw., m.. - Z. Wdb..

23.

Sluiten