Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Spr. : Zijn duimen in zijn vuisten of in zijn handen houden, gierig zijn. Zijnen duim in zijn handen heiben , zeker zijn van het geld te hebben dat men krijgen moet. De belooper van een kasteel moet geld hebben van iemand die voor zijnen heer gewerkt heeft ; vermits de belooper dat werk betalen moet, zal hij zeggen : ik moet niet vreezen, ik heb mijnen duim in mijn handen. Iemand op zijn duimen kloppen, i° iemand vermanen om eene schuld te betalen, 20 iemand strenge woorden toesturen, berispen voor eene fout. Het vingerken naast den duim zijn , de lieveling zijn. Den duim leggen , zich ten onderen geven. Iets op zijn duimken hennen of weten, zeer goed. Iets uit zijnen duim zuigen, uitvinden. Ik zou veur hem gecnen duim uit mijnen weg gaan, geenszins wijken. Elk een duimken geschoven is een manneken gewonnen , om iemand plaats te verleenen in een gezelschap. Dat is iets van den duim, zeer moeilijk.

— = (Smid) Duimijzer , gond.

— = Planken van eenen duim dik. Eenen boom in duim doen'zagen.

Een duim bij de schrijnwerkers is 2 '/i centimeters.

DUIMBARD, z. nw., o.. = Planken die eenen duim dik zijn. D. S.

Ook duimhout en duimsch bard.

Z. Duumbert bij Verdam.

DUIMEN, werkw., overg. en onov.. = Betalen, dokken. D. S. Hij meent er goedkoop van af te komen , maar hij zal moeten duimen.

— overg.. = (Spel) In het opwerpen met centen of knoppen, die voorwerpen opvangen en ze eenen tijd in de hand houden, in plaats van ze aanstonds op den grond te laten vallen. De centen duimen is zeuren.

DUIMHOUT, z. nw., o.. — Z. Duimbard.

DUIMKEN. z. nw., o.. = (Vogel) Winterkoninksken , A northura troglodytes, troglodyte ordinaire. K. duymeliuck.

Ook kaduintje, keuninksken, pierkeuninksken, pietekeuning, pieterken, pieterkeuninksken, pietjekeuning, trekkerken en winterkeuninksken.

Duimken, zegt het volk, geeft, voordat het zingt, eenen stamp op den tak waar het zit om te weten of die tak sterk genoeg is om hem te dragen.

DUIMKEN, z, nw., o.. = (Kruidk.) Zeer klein roosken.

Ook steenroos.

DUIMKRAM, z. nw , vr.. = Kleine kram. Zoudt ge op dien grendel geen duimkrammeken kunnen maken om de deur vast te doen ?

DUIMSCH, bijv. nw.. — (Timmerm.) Duimsche plank, plank van 1 duim dik uit een drijduimstuk gezaagd. C.

— Duimsch bard. Z. Duimbard. C.

— Duimsche beetel, bij meubelmakers , gewone beitel wiens snede maar eenen duim breed is.

DUIMSTEK, bijv. nw.. — Z. Deemster.

DUISELIG, bijv. nw.. = Duizelig.

DUIT, z. nw., vr., (niet m ). = Centiem, halve cent. C.

Meest duitje.

Spr. : Geen duit, geen roode duit, niets. Hij is voor geen duit te betrouwen. Hij heeft geen roode duit in zijnen wereld. Ik geef geen duit voor heel uwen winkel.

— = Koperen muntstuk zonder weerde, cent die gansch afgesleten is.

Ook lap.

DUITENKLIEVER, z. nw., m.. = Gierigaard, vrek. C.

DUITJE, z. nw., o.. — Z. Cens en duit.

DUITJESNAGEL, z. nw., m.. — Gesmede nagel die vroeger eenen duit kostte.

DUITSCH. z. nw., m.. = Duitscher.

Vergel. : Twee magen en geen hert hebben gelijk een Duitsch.

DUITSCHE JENOFFEL, z. nw., vr.. = (Kruidk.) Anjelier, Dianthus sinensus, willet de Chine, fam. Caryoph.. D. vertaalt D. sin. door zoetelievetjes.

Ook jonkerhens.

DUITSCHE LELIE, z. nw., vr.. — Z. Achturenblom.

DUITSCHE SALA(DE), z. nw., vr.. — Z. liieblommeken.

DUITSCHE VIOLET, z. nw., vr.. = (Kruidkunde) Viola cornuta, fam. Violar..

DUIVELANDER, z. nw., m.. = (Schipper) Schipper die een Duivelandsche boot bevaart.

DUIVELANDSCH, bijv. nw.. - (Schipper) Duivelandsche boot, schip met hoogen kop en groot tuig dat alleenlijk tot het vangen en vervoeren van mossels gebruikt wordt.

DUIVE N FLESCH, z. nw., vr.. = Pot in vorm van flesch, dienende om de duiven uit te laten drinken. De duivenflesch wordt op den duivenpot gezet. Naarmate de duiven water uit den pot drinken , komt er bij uit de flesch.

DUIVENHOUlDEjR, z. nw., m.. == Duivenslag.

Ook duivenkijker, duivenpier, kijker en uitleeder.

DUIVENKEEF. z. nw., vr.. = Kevie voor duiven , om ze te onderscheiden van ander soorten.

DUIVEN KIJKER, z. nw., m.. - Z. Duivenhouder. C.

— = Iemand die al gaande in de lucht ziet en het hoofd hoog draagt.

Ook sterrenkijher.

Sluiten